Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 11 mei 2023 uitspraak gedaan over de vraag of de VVE redelijkerwijs toestemming mocht weigeren voor de vervanging van een houten kozijn met draaideur?
Het gaat hier om een verzoek tot vernietiging van een besluit van de VvE, waarbij de achteraf aan de algemene ledenvergadering van de VvE verzochte toestemming is geweigerd voor de door appellant reeds uitgevoerde vervanging van een houten kozijn met draaideur door een aluminium kozijn met schuifdeur.
Appartemensrecht. VVE. Vernietiging besluit VVE? Mocht VVE toestemming weigeren voor vervanging van een houten kozijn met draaideur? Redelijkheid en billijkheid. Volledige toetsing of marginale toetsing?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
Blijkens de eerste grief van appellant en het daar tegenovergestelde verweer van de zijde van de VvE strijden partijen over de vraag of een volledige toetsing dan wel een marginale(re) toetsing dient plaats te vinden.
In zijn overwegingen heeft de rechtbank -volgens appellant ten onrechte- overwogen dat bij de beoordeling van een verzoek tot vernietiging op de aangevoerde grond de nodige terughoudendheid in acht moet worden genomen.
Het gaat hier om een verzoek tot vernietiging van een besluit van de VvE, waarbij de achteraf aan de algemene ledenvergadering van de VvE verzochte toestemming is geweigerd voor de door appellant reeds uitgevoerde vervanging van een houten kozijn met draaideur door een aluminium kozijn met schuifdeur.
Dit betreft een verzoek op de voet van artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 BW.
Artikel 2:15 BW geeft onder andere als vernietigingsgrond van een besluit strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.
Van vernietigbaarheid van een besluit is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met die redelijkheid en billijkheid.
Of een besluit wat de wijze van totstandkoming betreft in strijd is met de genoemde billijkheid kan door de rechter volledig worden getoetst.
De toetsingsmaatstaf met betrekking tot de inhoud van een besluit is de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
Het hof stelt voorop dat zowel bij vooraf als bij achteraf gevraagde toestemming moet worden getoetst of deze zonder redelijke grond is geweigerd.
In zoverre acht het hof niet van belang dat appellant voorafgaand van de aanpassingen heeft nagelaten de voorgeschreven toestemming aan de vergadering te vragen.
De omstandigheid dat appellant veel extra kosten zal moeten maken indien het besluit niet zal worden teruggedraaid is naar het oordeel van het hof een omstandigheid die niet ten gunste van appellant mag meewegen.
Deze omstandigheid komt voor risico van appellant.
Hij had dit kunnen voorkomen door toestemming vooraf te vragen.
Onder de omstandigheden van deze zaak wordt appellant geacht te hebben geweten dat hij toestemming nodig had voor de door hem uitgevoerde aanpassingen, althans diende hij van een en ander op de hoogte te zijn.
Het bestreden besluit is wat de wijze van totstandkoming betreft naar het oordeel van het hof niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Juist is weliswaar dat nog voordat appellant in de vergadering zijn verzoek om toestemming kon toelichten de voorzitter van de VvE al een afwijzend betoog hield om tegen het verzoek van appellant te stemmen en toestemming te onthouden.
Het hof is evenwel van oordeel dat hier geen sprake is geweest van een onacceptabele beïnvloeding zijdens de voorzitter.
De voorzitter vertegenwoordigt bovendien geen meerderheidsbelang.
In het kader van de inhoudelijke toetsing ‘of de toestemming zonder redelijke grond is geweigerd’ dienen -naast hetgeen hierover reeds is opgemerkt- de door de VvE aangevoerde gronden voor weigering te worden beoordeeld.
De VvE heeft als gronden naar voren gebracht -kort gezegd- de vrees voor precedentwerking, de hogere onderhoudskosten en doorbreking van de visuele uniformiteit van het pand.
Het hof zal een en ander hierna separaat bespreken en beoordelen.
De VvE heeft gesteld bang te zijn voor precedentwerking indien het verzoek van appellant (in hoger beroep alsnog) zal worden gehonoreerd.
De angst bestaat dat als gevolg hiervan meerdere bewoners zouden kunnen overgaan tot het aanbrengen van (zichtbare) wijzigingen aan hun appartementen zonder hiervoor (vooraf) om de (in beginsel vereiste) toestemming van de VvE te vragen.
Daargelaten dat dergelijke situaties zich kunnen herhalen, is het hof van oordeel dat zulks niet als precedentwerking kan worden beschouwd.
Elk apart geval zal door de VvE (eventueel een rechter) moeten worden beoordeeld naar de specifieke feiten en omstandigheden.
Het ‘gevaar’ van het verrichten van aanpassingen zonder toestemming en het pas achteraf vragen van die toestemming is inherent aan het systeem en -mede gelet op hetgeen het hof hiervoor hierover heeft opgemerkt- niet verergerd door de onderhavige zaak.
Voorts heeft de VvE aangevoerd dat het onderhoud van aluminium kozijnen zoals deze thans door appellant zijn geplaatst mogelijk duurder zal zijn dan het onderhoud van de originele, houten kozijnen.
Door appellant is aangegeven dat zijn nieuwe kozijnen minder vaak onderhoud vergen.
De VvE heeft verzuimd daar tegenover de frequentie van het onderhoud aan te geven.
Dit terwijl er aan de achterzijde van het pand reeds aluminium kozijnen geplaatst zijn en de VvE dus weet, althans redelijkerwijs zou kunnen achterhalen, wat de gemiddelde onderhoudsfrequentie van deze kozijnen is ten opzichte van de houten kozijnen.
Dat het onderhoud van de aluminium kozijnen (op termijn) duurder zou zijn dan het onderhoud van de houten kozijnen is door de VvE dan ook niet afdoende onderbouwd en/of inzichtelijk gemaakt.
Als nadere grond voor het in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot het weigeren van toestemming heeft de VvE gewezen op de vereiste visuele uniformiteit van het pand, althans de voorgevel.
Ondanks de door de VvE overgelegde foto’s en ander beeldmateriaal heeft de VvE het hof geenszins ervan kunnen overtuigen dat de visuele verschillen met andere appartementen vanaf de grond waarneembaar zijn.
Daarbij is van groot belang allereerst het gegeven dat het appartement van appellant is gelegen op de negende verdieping en verder ook dat de hier relevante kozijnen gedeeltelijk wat meer naar binnen liggen.
Bovendien is door appellant dezelfde RAL-kleur toegepast.
Het hof is van oordeel dat de visuele afwijking door plaatsing van de aluminium kozijnen, zoal toch in enige mate waarneembaar, zo extreem gering is (ook vanaf de locatie of het strand) dat ook dit een onvoldoende grond voor weigering van de toestemming oplevert.
De slotsom is dat het hof het verzoek van appellant tot vernietiging van het besluit en het verlenen van vervangende machtiging ex artikel 5:121 BW dan ook zal toewijzen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.