Van onze advocaat VVE. De Rechtbank Amsterdam heeft op 20 november 2017 uitspraak gedaan over geluidsoverlast vanwege een houten vloer. Was sprake van onredelijke hinder?

De eigenaresse van een op 1-hoog gelegen appartement in Amsterdam moet haar houten vloer beter isoleren zodat de onderbuurvrouw geen geluidsoverlast meer ondervindt.

Sinds augustus 2012 is eiseres eigenaar van de woning. Gedaagde heeft de bovengelegen woning gekocht in november 2015. De woningen maken deel uit van één appartementencomplex. Het splitsingsreglement bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

Artikel 26

De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.

De vorderingen van eiseres zijn in kort geding toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat die vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen en niet van eiseres kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Gedaagde voert onder meer als verweer dat de kwestie zich niet leent voor beslechting in kort geding. Ter toelichting stelt zij dat een definitieve oplossing niet zal worden bereikt omdat evident is dat eiseres bij verwijdering van de vloer en het aanbrengen van zachte vloerbedekking meer overlast zal ondervinden dan nu het geval is. Dit verweer gaat echter niet op, alleen al omdat het aanbrengen van zachte vloerbedekking niet de enige gevorderde maatregel is.

Tussen partijen is niet in geschil dat eventuele maatregelen ter verbetering van de contactgeluidisolatie van de vloer in het trapportaal en het trappenhuis moeten worden getroffen door de VvE en niet door gedaagde, zodat hierna alleen zal worden ingegaan op de vloer in de woning van gedaagde.

Geluidsoverlast vanwege houten vloer. Onredelijke hinder?

Gedaagde heeft een houten vloer in haar appartement gelegd. Een houten vloer is gelijk te stellen aan parket in de zin van artikel 26 van het splitsingsreglement. Daarvan gaan ook partijen uit.

Op grond van artikel 26 is het niet toegestaan om parket aan te brengen, tenzij dat geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.

Er is echter geen huishoudelijk reglement vastgesteld en evenmin heeft de VvE concrete geluidsisolerende normen vastgesteld waaraan een harde vloer moet voldoen. Aannemelijk is dat in gevallen als deze, waarin geen concrete normen zijn gesteld, het gebruikelijk is om terug te vallen op de norm ΔLlin > + 10dB, zoals P in haar rapportage heeft vermeld.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt is die norm min of meer gelijk te stellen met de door de Nederlandse Stichting Geluidshinder gepropageerde norm van Ico > +10dB, die op haar beurt weer gelijk te stellen is met de norm Ln,T,A < 49dB. Van deze norm is ook de rechtbank Utrecht uitgegaan in een vergelijkbare zaak (RBUTR:2009:BI2750).

D concludeert in haar rapport dat de contactgeluidisolatie in de woning van gedaagde niet voldoet aan deze norm. Gedaagde voert als verweer dat het rapport van D, gelet op de kanttekeningen die P daarbij heeft geplaatst, onvoldoende grond biedt voor de conclusie dat de vloer van gedaagde niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Dit verweer gaat niet op. P plaatst weliswaar kanttekeningen bij het rapport van D, maar komt zelf ook tot de conclusie dat sprake is van overschrijdingen van de toepasselijke geluidsnormen, waarschijnlijk doordat een dubbele verende laag is toegepast. Daarmee is voorshands voldoende aannemelijk dat de door gedaagde gelegde vloer in strijd is met het splitsingsreglement en onredelijke hinder voor eiseres veroorzaakt. Daarom is eveneens aannemelijk dat gedaagde in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot aanpassing van de vloer om die hinder te beëindigen.

Eiseres heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Uit een door haar bijgehouden logboek blijkt dat zij vrijwel dagelijks overlast van contactgeluiden ondervindt.

De vervolgvraag is waar dit alles toe moet leiden. Duidelijk is dat de vloer moet worden aangepast zodat deze geen “onredelijke hinder” meer oplevert (de open norm uit het splitsingsreglement). Partijen twisten over de vraag welke contactgeluidsisolatie daarvoor nodig is. Het komt geraden voor om, bij het ontbreken van concrete normen, aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde, door de Stichting Geluidshinder gepropageerde en in de praktijk blijkbaar als minimumnorm gehanteerde norm van Ico > +10dB (klasse “goed” in de zin van NEN1070:1999). Dat gedaagde een rechtsplicht heeft tot het aanbrengen van een sterkere geluidswering, is voorshands onvoldoende aannemelijk. Dat neemt niet weg dat partijen ervoor kunnen kiezen om desondanks een betere isolatie aan te brengen. Dat lijkt in hun beider belang te zijn, omdat zij daarmee de kans op discussies over geluidsoverlast tot een minimum zullen kunnen beperken. In dat geval is het echter redelijk dat de eventuele meerkosten daarvan (mede) door eiseres zullen worden gedragen.

Het voorgaande betekent dat de huidige houten vloer eruit zal moeten, in ieder geval tijdelijk om de geluidwering aan te passen. Of de houten vloer daarna weer kan terugkeren, staat of valt met de vraag of de vloer na aanpassing zal voldoen aan de hiervoor voorgeschreven norm. Op voorhand kan niet worden aangenomen dat die norm met een houten vloer onhaalbaar is. De primaire vordering, die ertoe strekt dat gedaagde de houten vloer permanent verwijdert en (andersoortige) vloerbedekking neerlegt, is daarom niet toewijsbaar.

Wel toewijsbaar is de subsidiaire vordering, in die zin dat gedaagde de vloer zal moeten isoleren op zodanige wijze dat de kwaliteit van de geluidwering valt binnen de klasse II (“goed”) in de zin van NEN1070:1999. Een termijn van twee maanden na betekening van dit vonnis komt redelijk voor. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als in de beslissing vermeld. Bij deze uitkomst behoeft de meer subsidiair gevorderde medewerking aan een vervolgonderzoek geen bespreking.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de VVE, de akte van splitsing of het splitsingsreglement, de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over geluidsoverlast, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.