De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een centrale warmtemeter noodzakelijk was voor de meting van het gemeenschappelijk warmteverbruik.

Verzoekende partij verzoekt dat de kantonrechter, het besluit van de VvE van 19 oktober 2022 zal vernietigen, dan wel voor recht zal verklaren dat dit besluit nietig is en aan de VvE een gebod zal opleggen tot het plaatsen van een centrale GJ-warmtemeter.

Verzoekende partij voert daarbij aan dat de Warmtewet voorschrijft dat een centrale warmtemeter moet worden geplaatst.

De VvE handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door het besluit van 19 oktober 2022 te nemen, omdat daarmee in strijd met de wet gehandeld wordt.

Deze wet, gebaseerd op Europese regelgeving, is juist bedoeld om de individuele verbruikers, zoals verzoekende partij te beschermen en de verplichting mag niet genegeerd worden.

Door de afwezigheid van de centrale warmtemeter kan het individuele verbruik van de leden onvoldoende secuur worden vastgesteld.

De VvE voert verweer.

De VvE voert daarbij aan dat het individuele verbruik per appartement gemeten wordt via een eigen warmtemeter.

Ook het centrale gasverbruik is inzichtelijk.

Via een landelijk gebruikelijke omrekenformule kan het energieverlies van de hele installatie bepaald worden.

Een centrale GJ-meter heeft geen toegevoegde waarde en wordt niet verplicht voorgeschreven in de Warmtewet, zodat het besluit niet in strijd is met de wet en evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Appartemensrecht. VVE. Verwarming. Gemeenschappelijk gebruik. Warmteverbruik. Warmtemeter. Is een centrale warmtemeter noodzakelijk? Uitleg van de Warmtewet.

De rechter oordeelt als volgt.

De vraag die partijen verdeeld houdt betreft in wezen de uitleg van de Warmtewet en in het bijzonder artikel 8 onder 9 van die wet.

Hierin staat:

“Indien een gebouw waarin zich meerdere woon- of bedrijfsruimtes bevinden verwarmd wordt met behulp van een centrale productie-installatie voor warmte die zich in het betreffende gebouw of in een nabij gelegen gebouw of bouwwerk bevindt, meet de leverancier de hoeveelheid warmte die de centrale installatie produceert.”.

Vast staat dat de VvE een leverancier in de zin van deze bepaling is en dat het complex, waarin zich het appartement van verzoekende partij bevindt, een centrale productie-installatie in genoemde zin heeft.

Waar verzoekende partij in de genoemde bepaling een verplichting voor de VvE tot plaatsing van een centrale warmtemeter leest, leest de VvE daarin een verplichting om de hoeveelheid warmte te meten, zonder dat daarvoor een bepaalde methode of meetinstrument is voorgeschreven.

In de bewoordingen van artikel 8, lid 9 is geen concrete meetmethode voorgeschreven. Er is wel bepaald dát er gemeten moet worden, maar niet hóe.

In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2016/17, 34723, 3) is hierover het volgende te lezen:

“Meting warmteproductie centrale installatie bij gebouw-gebonden blokverwarming.
De Warmtewet voorziet in een tariefregulering waarbij wordt uitgegaan van een tarief dat bestaat uit twee onderdelen, een vast deel en een variabel deel. Het variabele deel wordt uitgedrukt in euro per gigajoule (GJ). In situaties van gebouw gebonden blokverwarming, waarin meerdere woon -of bedrijfsruimtes in één gebouw worden verwarmd door een centrale installatie die zich in het gebouw bevindt, produceert de centrale installatie warmte die vervolgens door de leverancier geleverd wordt aan de verbruikers. (…) Het variabele deel van het tarief wordt door leveranciers berekend door een omrekening van de kosten van de hoeveelheid brandstof (doorgaans m3 gas) die door een centrale installatie wordt gebruikt om warmte (GJ of kW) te produceren. Wanneer er een meter is geplaatst die meet hoeveel warmte een centrale installatie produceert vindt deze omrekening plaats op basis van deze meetgegevens. Wanneer er geen meter is geplaatst moet een omrekening van brandstof naar warmte plaatsvinden die rekening houdt met de kwaliteit van de brandstof en het brandstofrendement van de betreffende centrale installatie. In de praktijk blijkt dat, wanneer niet wordt gemeten hoeveel warmte er wordt geproduceerd door de centrale installatie, er geregeld discussie ontstaat over de mate waarin rekening wordt gehouden met mogelijke inefficiëntie van de ketel. ACM adviseert leveranciers die niet kiezen voor een meter bij de centrale installatie om dit probleem te ondervangen door eenmalig advies in te winnen bij een technisch adviesbureau om de omrekening van gas (m3) naar warmte (GJ of kW) correct te bepalen. Dit laat echter onverlet dat de efficiëntie van de centrale installatie minder kan worden of kan verbeteren als gevolg van onderhoudswerkzaamheden. Omwille van transparantie en om te voorkomen dat leveranciers en verbruikers discussie moeten voeren over de correcte omrekening naar de hoeveelheid geproduceerde warmte is in dit voorstel voor situaties van gebouw gebonden blokverwarming een verplichting opgenomen voor de leverancier om de hoeveelheid door de installatie geproduceerde warmte daadwerkelijk te meten. Hoewel deze meting in de praktijk doorgaans plaatsvindt in GJ, kan deze meting ook plaatsvinden in kW. Als gevolg van de uitzondering in het tweede lid van artikel 1a op de beperking van de reikwijdte van artikel 1a is deze verplichting, zoals beschreven in paragraaf 4.1, ook van toepassing op leveranciers die voor het overige zijn uitgezonderd van de reikwijdte van de Warmtewet”.

Hoewel de keuze gelaten wordt tussen een meter in GJ of in Kw blijkt uit deze toelichting voldoende dat de wetgever een verplichting voor ogen staat om de concrete warmteproductie van de centrale installatie te meten.

De huidige situatie bij de VvE doet dat niet.

De VvE berekent nu wat de warmteproductie zou kunnen zijn door gebruik te maken van de tabel met omrekenfactoren (in navolging van energieleveranciers) en de geleverde hoeveelheid gas.

Daarnaast wordt het individuele warmteverbruik van de leden concreet gemeten.

Na aftrek van die waarden wordt het verschil bij de leden ieder voor 1/39 deel in rekening gebracht.

Op deze wijze wordt beredeneerd wat het gemeenschappelijke verbruik voor centrale ruimtes en het weglekken van warmte bij transport en leidingverlies is, maar wordt geen informatie gegeven over de (in)efficiëntie van de ketel zelf.

Daardoor wordt de door de centrale installatie geproduceerde hoeveelheid warmte niet afdoende gemeten.

Hoewel de door de VvE gekozen oplossing uit kostenoogpunt wel enigszins begrijpelijk is, kan daarmee niet worden volstaan.

Overigens zal de kostenpost van het plaatsen van een centrale meter van circa € 5.000,00 gelet op het aantal leden van de vereniging per lid een redelijk overzienbaar bedrag van circa € 130,00 betekenen.

Met de huidige meet- en berekenmethode voldoet de VvE dus niet aan de plicht om de door de centrale installatie geproduceerde hoeveelheid warmte te meten, zodat het besluit vernietigd zal worden.

Het is aan de VvE om een nieuw besluit te nemen.

Welke keuze zij maakt is aan de VvE en kan niet op voorhand worden vastgelegd.

Het door verzoekende partij verzochte gebod om specifiek een GJ-meter te (doen) plaatsen kan alleen al om die reden niet toegewezen worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.