De Rechtbank Rotterdam heeft op 20 november 2020 uitspraak gedaan over de betaling van de VVE-bijdrage.

De VvE heeft onder overlegging van een specificatie gesteld dat de betalingsachterstand tot en met juli 2020 € 1.308,59 bedraagt.

In discussie is of gedaagde over april tot en met juli 2019 een VvE-bijdrage ten bedrage van € 130,14 is verschuldigd.

In dit verband is het besluit van de vergadering van eigenaars van 5 maart 2019 van belang.

Gedaagde heeft de op 5 maart 2019 gehouden vergadering van eigenaars en het besluit ter discussie gesteld.

Appartementsrecht. VVE. Betaling van de VVE-bijdrage. Vernietiging besluit VVE?

De rechter oordeelt als volgt.

Voor zover gedaagde heeft bedoeld een beroep te doen op vernietiging van het besluit van 5 maart 2019, wordt het volgende vooropgesteld.

Besluiten waarvan de totstandkoming niet conform de in de wet, de statuten of de splitsingsakte genoemde vereisten is geschied, zijn vernietigbaar.

Indien de strijdigheid betrekking heeft op de totstandkoming van het besluit zal degene die zich op die strijdigheid beroept de vernietiging van het besluit moeten inroepen (in dit geval: gedaagde).

Op grond van artikel 5:130 BW dient daartoe binnen een maand nadat van het besluit kennis is genomen of genomen had kunnen worden een verzoekschriftprocedure aanhangig te worden gemaakt.

Degene die zich op de strijdigheid van het besluit beroept kan dit daarom niet bij wijze van verweer inroepen in een procedure waarin betaling van achterstallige VvE-bijdragen wordt gevorderd, zoals in de onderhavige procedure.

Verder is niet gesteld of gebleken dat het besluit van 5 maart 2019 is vernietigd of dat gedaagde een verzoek tot vernietiging van het besluit aanhangig heeft gemaakt.

Het moet er daarom voor worden gehouden dat het op 5 maart 2019 genomen besluit rechtsgeldig tot stand is gekomen.

Voor zover juist is dat gedaagde de toegezonden notulen van de vergadering niet heeft ontvangen, wordt geoordeeld dat dit niets af doet aan de geldigheid van het besluit.

Opgemerkt dient te worden dat als onweersproken vaststaat dat gedaagde op de hoogte was van de vergadering, maar zelf niet is gekomen en ook geen machtiging heeft gegeven aan iemand om de vergadering namens hem bij te wonen en/of namens hem deel te nemen aan de stemming.

Van een appartementseigenaar mag worden verwacht dat hij moeite doet om kort na de vergadering kennis te nemen van de genomen besluiten door zelf informatie in te winnen bij de VvE.

Overigens staat als onbetwist vast dat gedaagde kort na de vergadering online kennis heeft kunnen nemen van de notulen van de vergadering en bijbehorende bijlagen in de digitale eigenaarsomgeving.

Gedaagde is als VvE-lid gebonden aan het rechtsgeldig tot stand gekomen besluit van de vergadering van eigenaars van 5 maart 2019.

In de bijlagen van de bij dat besluit vastgestelde begrotingen over 2019 en 2020 zijn de hoogtes van de VvE-bijdragen per 1 maart 2019 respectievelijk 1 januari 2020 van de individuele appartementseigenaren vastgelegd.

Daaruit volgt dat gedaagde vanaf 1 maart 2019 een VvE-bijdrage dient te betalen van € 130,14 per maand en vanaf 1 januari 2020 een VvE-bijdrage van € 132,31 per maand.

De eerder gevoerde procedures bij de kantonrechter en het hof over een machtiging voor de opheffing van de splitsing en de her-splitsing van het betreffende complex hebben niets van doen met de vaststelling van de hoogte van de VvE-bijdrage.

De hoogte van de VvE-bijdrage wordt immers vastgesteld door een besluit van de vergadering van eigenaars en is ook op deze wijze vastgesteld op 5 maart 2019.

Zoals hiervoor overwogen, had gedaagde met dat besluit en de inhoud ervan bekend kunnen en moeten zijn.

Zijn stelling dat hij niet eerder dan bij beschikking van 13 augustus 2019 van het hof Den Haag dan wel bij de mondelinge behandeling in hoger beroep op 16 mei 2019 bekend had kunnen zijn met de hoogte van de VvE-bijdrage wordt daarom verworpen.

Gelet op het voorgaande staat vast dat gedaagde aan de VvE € 130,14 per maand is verschuldigd over april tot en met juli 2019. Het betreft een bedrag van in totaal € 520,56. Dat bedrag komt voor toewijzing in aanmerking.

Gedaagde heeft erkend dat hij een VvE-bijdrage ten bedrage van € 130,14 per maand is verschuldigd over de periode augustus tot en met december 2019. Het betreft in totaal een bedrag van € 650,70.

Dat bedrag ligt eveneens voor toewijzing gereed.

Gedaagde heeft over januari tot en met augustus 2020 maandelijks € 130,14 betaald en in mei 2020 eenmalig een extra bedrag van € 8,00.

In totaal betreffen de betalingen een bedrag van € 1.049,12.

Aangezien de verschuldigde VvE-bijdrage per 1 januari 2020 € 132,31 per maand bedraagt, was gedaagde over voornoemde periode in totaal € 1.058,48 (8x € 132,31) verschuldigd aan de VvE.

Gedaagde is daarom nog een bedrag van € 9,36 over voornoemde periode verschuldigd.

Dat bedrag komt eveneens voor toewijzing in aanmerking.

De conclusie is dat gedaagde over april 2019 tot en met augustus 2020 in totaal nog een bedrag van € 1.180,62 aan achterstallige VvE-bijdragen verschuldigd is aan de VvE.

Dat bedrag is opgebouwd uit € 520,56 over april tot en met juli 2019, € 650,70 over augustus tot en met december 2019 en € 9,36 over januari tot en met augustus 2020. Het totaalbedrag wordt toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de uitleg van de splitsingsakte, belt u dan gerust onze advocaat VVE  op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.