De Rechtbank Gelderland heeft op 5 januari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een verbod op het plaatsen van een scootmobiel in de openbare ruimte van het appartement onredelijk was.
Uitgangspunt bij die beoordeling is dat gedaagde evenals de overige bewoners is gehouden tot naleving van de relevante (huishoudelijke) reglementen.
Appartementsrecht. VVE. Verbod op het plaatsen van scootmobiel in openbare ruimte appartement onredelijk? Ontheffing. Gelijke behandeling. Belangenafweging.
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze het plaatsen van een scootmobiel in de gemeenschappelijke verbieden en dat de algemene vergadering van de VvE de bevoegde instantie is om de door gedaagde gewenste ontheffing te verlenen.
Evenmin staat ter discussie dat de vrijheid die de VvE bij die beslissing toekomt wordt begrensd door de regeling (in het bijzonder artikel 6b onder d) van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.
Die regeling brengt in de onderhavige zaak mee dat de VvE de toestemming niet mag weigeren indien gedaagde geen alternatieve stallingsmogelijkheden heeft voor haar scootmobiel die zij naar de VvE onvoldoende heeft bestreden – nodig heeft om zich buitenshuis te verplaatsen.
De alternatieven dienen – objectief bezien – redelijkerwijs geschikt te zijn; of gedaagde ze zelf geschikt vindt, dan wel het eigen alternatief wenselijker acht, speelt in beginsel geen rol.
Subjectief is de beoordeling wel in die zin dat de aanvaardbaarheid van mogelijke alternatieven, en daarmee de noodzakelijkheid van de gevraagde voorziening, dient te worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gehandicapte of chronisch zieke om wie het gaat.
Beoordeeld moet worden of de alternatieven, gelet op de aard van de handicap of ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zowel de huidige als de toekomstige zoals die bij een progressieve aandoening als MS zijn te verwachten, voor de betrokkene, in casu, gedaagde fysiek haalbaar zijn.
Die beoordeling is een precaire omdat de betrokkene zelf als geen ander haar beperkingen kent, want deze dagelijks aan den lijve ondervindt, maar voornoemde maatstaf wel meebrengt dat haar opvattingen niet zonder meer mogen worden overgenomen, maar dienen te worden getoetst.
Die toetsing kan worden verstoord door te grote welwillendheid uit compassie, maar ook door de omstandigheid dat vanuit het perspectief van een beschouwer met een gezond lichaam wordt onderschat hoe belastend ogenschijnlijk eenvoudige handelingen voor een zieke kunnen zijn, met als gevolg dat dier houding als star en defensief wordt ervaren.
Een dergelijke beoordeling kan daarom, ook in deze zaak, alleen worden gemaakt met voldoende kennis van en ervaring met het desbetreffende ziektebeeld en de daarbij horende beperkingen.
Alleen met die kennis kan een verantwoord oordeel worden gegeven over de bezwaren die gedaagde tegen de alternatieven heeft geuit.
Om te kunnen beoordelen of – objectief bezien – de verbouwde huismeestersruimte een redelijkerwijs geschikt alternatief biedt aan gedaagde om haar scootmobiel te stallen heeft de rechtbank de vragen gesteld aan A, nu zij zelf geen kennis van en ervaring heeft met het ziektebeeld van gedaagde en de daarbij behorende beperkingen.
De rechtbank gaat in beginsel uit van de betrouwbaarheid van de rapportage.
De deskundige is niet betrokken bij de partijen en dient nu juist inzicht te geven in kennis die de rechtbank zelf niet heeft.
Eén en ander kan anders zijn indien de rechtbank van oordeel is dat het deskundigenbericht haar niet overtuigend overkomt, bijvoorbeeld als er in het rapport innerlijke tegenstrijdigheden staan of sprake is van leemten, onduidelijkheden of onlogische gevolgtrekkingen.
Daarvan is in deze zaak echter geen sprake.
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom niet.
Met gedaagde is de rechtbank het eens dat A zich heeft uitgelaten over een aantal punten die niet ter beoordeling aan hem zijn voorgelegd, waaronder de uitlatingen dat er door gedaagde geen pogingen zouden zijn ondernomen om tot aanpassing van de ER te komen, dat er moet worden omgezien naar een ER die ook voor het buiten rijden geschikt is en de opmerking dat de gang geschikt moet zijn voor algemeen gebruik en vrij van obstakels.
Dit zijn geen onderwerpen waarvoor de rechtbank de deskundigheid van A heeft ingeschakeld en de rechtbank zal geen acht slaan op deze opmerkingen ten overvloede.
Dit betekent niet dat de rechtbank van oordeel is dat de deskundige vooringenomen is, dat blijkt niet uit het rapport.
De opmerkingen ten overvloede lijken eerder het gevolg te zijn van de vraagstelling en de bevindingen van de deskundige.
Er is door de rechtbank gevraagd, kort samengevat, of het voor gedaagde fysiek haalbaar is om de transfer in de huismeestersruimte te maken.
De rechtbank maakt uit het deskundigenbericht op dat de transfer die gedaagde moet maken van de ER naar de SM op het moment van onderzoek erg moeizaam verliep, hetgeen ook is geconstateerd tijdens de mondelinge behandeling ter plaatse op 3 maart 2020,en dat uitgaande van de progressie van de ziekte van gedaagde, deze in de toekomst nog veel moeizamer zal verlopen en op een gegeven moment niet meer uitgevoerd kan worden, ongeacht op welke plek de transfer gemaakt moet worden.
A heeft zich, mogelijk naar aanleiding van de vraagstelling in combinatie met deze conclusie, tevens uitgelaten over de alternatieven die er zijn voor de uitvoering van de transfer ongeacht waar deze plaatsvindt.
Dat laatste is niet relevant voor het oordeel van de rechtbank in deze zaak.
Wat daar ook van zij, de rechtbank ziet, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, geen redenen om te concluderen dat de deskundige vooringenomen is, ook niet op basis van de door gedaagde in haar akte na deskundigbericht geciteerde opmerkingen.
De rechtbank passeert de verweren van gedaagde dat het rapport van de deskundige niet gevolgd kan worden omdat de vraag van de rechtbank niet is beantwoord, de deskundige geen onderbouwing heeft gegeven voor het vaststellen van de geringe invloed van de extra inspanningen op het totaal en het verweer dat de situatie van [gedaagde] inmiddels is verslechterd.
Het is de taak van de deskundige om de vragen die de rechtbank hem heeft gesteld naar eigen deskundig inzicht en naar beste weten te beantwoorden.
Uit het deskundigenbericht blijkt dat het oordeel van de deskundige is dat de extra inspanningen die gedaagde moet verrichten om de transfer in de huismeestersruimte in plaats van in de gemeenschappelijke hal te maken niet van grote invloed is op de activiteiten die gedaagde buitenshuis uitvoert c.q. gering zijn c.q. als billijk en reëel zijn te beschouwen in relatie tot de totale verblijfsduur buiten de woning.
De deskundige heeft daarbij tevens rekening gehouden met de progressie van de ziekte van gedaagde, zo blijkt uit het deskundigenbericht dat volgens de deskundige door de progressie van de ziekte van gedaagde de transfer steeds moeizamer zal gaan.
Uit het rapport concludeert de rechtbank dat de moeite die de extra handelingen kosten om naar de huismeestersruimte te gaan gering zijn in verhouding tot de moeite die de transfer op zichzelf kostte ten tijde van het onderzoek en dat dit in de toekomst niet anders zal zijn omdat de transfer alleen maar zwaarder zal worden voor gedaagde.
Hieruit blijkt dat de deskundige rekening heeft gehouden met de inspanningen die gedaagde extra moet verrichten om de transfer in de huismeestersruimte te maken in verhouding tot de mogelijkheid in het algemeen die gedaagde heeft om activiteiten buitenshuis te verrichten (zijnde de doelstelling van het gebruik van de SM) en met de progressie van de ziekte van gedaagde.
Zoals reeds overwogen gaat de rechtbank in beginsel uit van de betrouwbaarheid van de deskundige en mag zij daarom ook uitgaan van de deskundigheid van het oordeel dat de inspanningen gering zijn in verhouding tot de totale inspanning van de transfer.
De deskundige hoeft dat niet nog verder te onderbouwen dan reeds is gebeurd.
Ten slotte voert gedaagde aan dat er in de praktijk niet zoveel ruimte in de huismeestersruimte is als tijdens het onderzoek omdat er normaal meerdere scootmobiels van andere bewoners staan.
De VvE heeft tijdens het onderzoek en in de akte uitlaten na deskundigenbericht aangegeven dat de vergadering van eigenaars heeft beslist dat gedaagde het eerste recht heeft op gebruik van de gecreëerde stallingsplek, welke ruimte ze daarvoor ook nodig heeft.
De rechtbank heeft geen redenen, en deze zijn door gedaagde ook niet althans onvoldoende aangevoerd, om op voorhand te twijfelen aan deze toezegging van de VvE.
De rechtbank is er bij haar beoordeling daarom vanuit gegaan dat gedaagde alle ruimte van de VvE in de huismeestersruimte zal krijgen die zij nodig heeft.
Met betrekking tot de opmerking van gedaagde dat er geen beugel in de huismeestersruimte is gemonteerd merkt de rechtbank op dat de VvE tijdens de decente heeft toegezegd dat het geen bezwaar is om deze beugel te monteren.
Voorgaande in acht genomen wijst de rechtbank de vorderingen van de VvE toe.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de uitleg van de splitsingsakte, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.