De Rechtbank Noord-Holland heeft op 29 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een besluit van de VVE om geen toestemming te geven tot het plaatsen van een oplaadpunt is strijd was met de redelijkheid en billijkheid.
Verzoekers verzoeken de kantonrechter om het besluit van VvE van 14 september 2020 te vernietigen en verzoekers een vervangende machtiging te verlenen om een oplaadpunt/laadpaal te plaatsen met veroordeling van VvE in de proceskosten.
De VvE betwist dat het besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is genomen.
De VvE voert – samengevat – aan dat haar belang uit oogpunt van veiligheid en ongewenste precedentwerking zwaarder weegt dan het belang van verzoekers.
Appartementsrecht. VVE. Vernietiging besluit van de VVE om geen toestemming te geven tot het plaatsen van een oplaadpunt? Toetsing. Redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
In artikel 5:130 BW en artikel 2:15 BW is bepaald dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.
Ingevolge artikel 2:8 lid 1 BW moeten een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
De kantonrechter toetst een besluit als hier aan de orde marginaal, dat wil zeggen dat slechts een besluit dat een redelijk handelende ledenvergadering van een VvE bij afweging van de betrokken belangen niet had kunnen nemen voor vernietiging in aanmerking komt.
Daarnaast spelen de regels van de stelplicht en bewijslastverdeling een rol, dat wil zeggen dat degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar/hem gestelde feiten of rechten voldoende moet stellen en, zo nodig, bewijzen.
De kantonrechter is van oordeel dat VvE in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek van verzoekers in verband met de veiligheid en het tegengaan van ongewenste precedentwerking.
Wat betreft de veiligheid heeft VvE gewezen op onderzoek van de Werkgroep ‘Oplaadpunten’, neergelegd in het rapport van november 2019.
In dit rapport heeft de Werkgroep vastgesteld dat het elektriciteitsnetwerk niet toereikend is voor oplaadpunten. Dat deze vaststelling niet klopt, hebben verzoekers niet gesteld, zodat de kantonrechter hiervan ook uitgaat.
Verzoekers stellen desondanks dat hun oplaadpunt de veiligheid niet in gevaar brengt omdat het door een erkend installateur is geplaatst.
Naar het oordeel van de kantonrechter hebben verzoekers hun stelling echter niet onderbouwd, terwijl dat wel op hun weg had gelegen.
De door verzoekers overgelegde verklaring van de autodealer en de verwijzing van verzoekers naar een publicatie van de vereniging DOET acht de kantonrechter niet toereikend. Deze verklaring en publicatie zeggen niets over (de installatie van) het oplaadpunt van verzoekers.
De door verzoekers ter zitting overgelegde verklaring van hun installateur brengt de kantonrechter niet tot een ander oordeel. De installateur verklaart slechts dat ‘het volgens de normen zit’ en dat ‘het een gewone wandcontactdoos op een algemene eindgroep is’.
Deze verklaring acht de kantonrechter dan ook weinigzeggend omdat verdere onderbouwing ontbreekt. Aan deze verklaring kan de kantonrechter daarom niet die waarde hechten die verzoekers daaraan toegekend wensen te zien.
Ook al zou de veiligheid niet in gevaar zijn door de plaatsing van dit ene oplaadpunt – ter zitting heeft de voormalig voorzitter van de VvE verklaard dat een enkel oplaadpunt niet zal leiden tot overbelasting van het netwerk –, dan is er nog het belang van VvE bij het tegengaan van ongewenste precedentwerking.
De VvE voert onweersproken aan dat vanwege de kosten en de complexiteit is besloten de infrastructuur van de garage voorlopig niet aan te passen.
Verder is, anders dan verzoekers ter zitting kennelijk menen, niet gebleken dat er een wettelijke verplichting is om in bestaande garages oplaadpunten voor elektrische auto’s aan te leggen.
Dit betekent dat er op korte termijn geen zicht is op de aanleg van oplaadpunten in de parkeergarage.
Wanneer het verzoek van verzoekers wordt toegewezen, heeft dat tot gevolg dat VvE andere aanvragen om het plaatsen van een oplaadpunt in de parkeergarage in beginsel niet kan weigeren.
Deze oplaadpunten zullen op het huidige elektrische netwerk worden geplaatst, terwijl het huidige elektrische netwerk daarvoor niet toereikend is.
Hierdoor bestaat een risico op overbelasting van het netwerk.
Dit raakt dan weer het zwaarwegende belang van VvE van het waarborgen van de veiligheid.
De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, dan ook met VvE van oordeel dat de belangen van VvE zwaarder wegen, dan het belang van verzoekers bij een oplaadpunt in de parkeergarage.
Bovendien is het niet zo dat verzoekers door dit besluit geen mogelijkheid hebben om hun auto kunnen opladen.
Niet in geschil is dat er op twintig meter afstand van de parkeergarage openbare oplaadpunten zijn.
Dat het gebruik van deze oplaadpunten mogelijk duurder is omdat er naast oplaadkosten een starttarief en parkeerkosten zijn verschuldigd, dat verzoekers het niet prettig vinden dat hun auto na werktijd een lange tijd buiten staat en dat het prettiger is om een eigen oplaadpunt bij je eigen parkeerplek in de parkeergarage te hebben, is niet doorslaggevend.
Dat het oplaadpunt er inmiddels al ruim tweeënhalf jaar zit, doet hieraan niet af, aangezien het oplaadpunt zonder toestemming is geplaatst.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat VvE bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot afwijzing van het verzoek om achteraf toestemming tot plaatsing van het oplaadpunt.
De omstandigheid dat het oplaadpunt eerder is gedoogd, maakt dit oordeel niet anders.
Terecht voert VvE aan dat gedogen per definitie tijdelijk is.
Aan het gedogen konden verzoekers dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat hun verzoek zou worden toegewezen.
Bovendien kan uit de notulen die zich bij de gedingstukken bevinden worden opgemaakt dat verzoekers er regelmatig op zijn gewezen dat het oplaadpunt niet langer zou worden gedoogd en moet worden verwijderd.
Verder is de kantonrechter van oordeel dat VvE terecht aanvoert dat het Modelreglement 2017 – op grond hiervan geldt onder voorwaarden slechts een meldingsplicht voor oplaadpunten – niet van toepassing is.
Hieraan kunnen verzoekers dus geen rechten ontlenen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om het besluit van 14 september 2020 te vernietigen zal worden afgewezen.
Dit brengt met zich dat het verzoek tot schorsing van het besluit eveneens zal worden afgewezen.
Er is daarom ook geen aanleiding is om verzoekers een vervangende machtiging te verlenen.
Dit verzoek wordt afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van verzoekers, omdat zij ongelijk krijgen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de uitleg van de splitsingsakte, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.