Van onze advocaat VvE. Op 14 december 2015 heeft de rechtbank Zeeland bij een verzoek om vervangende toestemming op grond van artikel 5:121 BW de vraag moeten beantwoorden of het huishoudelijk reglement boven het modelreglement gaat.

De kantonrechter overwoog dat uit artikel 5:121 lid 1 BW voortvloeit dat aan de kantonrechter vervangende machtiging kan worden gevraagd als het gaat om een feitelijke handeling of rechtshandeling waarvoor één of meer appartementseigenaren, de vereniging van eigenaren (VvE) en/of één van de organen van de vereniging van eigenaren, hun medewerking dienen te verlenen en die medewerking wordt geweigerd, dan wel zich er niet over verklaren. De vragen die de kantonrechter in dat kader dient te beantwoorden zijn:

– is er sprake van een (rechts)handeling waarvoor toestemming kan worden gevraagd?

– is die toestemming geweigerd of is er niet over verklaard?

Van belang bij het voorgaande is dat in artikel 12 van het modelreglement is opgenomen dat een eigenaar en gebruiker verplicht is zich te onthouden van het plaatsen van voertuigen of andere voorwerpen in de gemeenschappelijke gedeelten, als die daar niet voor bedoeld zijn, maar dat de vergadering daar toestemming voor kan verlenen. Daarnaast is van belang dat in artikel 14.5 van het HR een algemeen verbod tot het plaatsen van scootmobielen is opgenomen. Uit artikel 44 van het modelreglement volgt echter dat het huishoudelijk reglement niet in strijd mag zijn met het modelreglement. Bovendien blijkt uit artikel 1 sub D van het HR dat bij het opstellen van het HR niet is bedoeld het modelreglement te doorkruisen. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de kantonrechter, dat artikel 14.5 van het HR als een precisering van artikel 12 lid 1 van het modelreglement moet worden gezien. Lid 3 van artikel 12 uit het modelreglement is vervolgens, nu hierover niets is bepaald in het HR, toepasbaar op artikel 14.5 van het HR, hetgeen met zich brengt dat verzoeker ontheffing mochten vragen aan de ledenvergadering van verweerder van het in artikel 14.5 van het HR opgenomen verbod. De eerste vraag dient dan ook bevestigend te worden beantwoord.

Verder dient de vraag te worden beantwoord of verweerder een redelijke grond had om de door verzoeker gevraagde toestemming te weigeren. VvE voeren aan dat de kantonrechter rekening dient te houden met het feit dat er meermalen over het verzochte is gestemd binnen de VvE en dat tot op heden nog geen toestemming is verleend. Volgens de VvE moet het democratisch proces binnen de VvE gewaarborgd worden. De kantonrechter overweegt dat deze omstandigheid niet in de beoordeling kan worden meegenomen, nu artikel 5:121 lid 1 BW juist van toepassing is op de situatie dat door de VvE geen toestemming wordt verleend. Aan de kantonrechter wordt dan voorgelegd of de ledenvergadering redelijk heeft gehandeld tegenover één van haar leden. Dit argument kan dan ook geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de VvE een redelijke grond had om het verzoek te weigeren.

Vervolgens voeren de VvE aan dat er, gelet op de brandveiligheid, meer geschikte locaties beschikbaar zijn in het appartementencomplex voor de stalling van het scootmobiel dan op de galerij. De kantonrechter overweegt dat de vraag of er andere geschikte locaties beschikbaar zijn niet de maatstaf is waaraan getoetst moet worden, maar dat dient te worden vastgesteld of de brandveiligheid bij plaatsing van het scootmobiel op de galerij dermate in het geding komt dat het een redelijke grond vormt om toestemming te weigeren. De kantonrechter komt tot de conclusie dat in de brandveiligheid, afgezet tegen de fysieke gesteldheid van verzoeker en de stellingen van verzoeker met betrekking tot de onmogelijkheid de scootmobiel in hun appartement op te laden, geen redelijke grond kan worden gevonden voor weigering van de gevraagde toestemming.

Indien U vragen heeft over de VvE in het appartementsrecht of over het modelreglement of het huishoudelijk reglement belt u dan onze advocaat VvE op 020-7400521.