De Rechtbank Gelderland heeft op 14 februari 2020 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van onrechtmatige hinder veroorzaakt door de buren van appartementseigenaren.
Gedaagde exploiteert in de winkelruimte een detailhandel in (onder meer) wierook, geurkaarsen en etherische oliën.
Eisende partij vordert dat de voorzieningenrechter gedaagde partij gebiedt om de in de winkelruimte en kelder aanwezige (a) wierook, geuroliën, geursprays en geurwater die zijn genoemd in productie 4 van de dagvaarding en (b) geuroliën, geursprays, geurwater, wierook, geurkaarsen en andere zaken die geurhinder veroorzaken te verwijderen en om deze verwijderd te houden, per direct doch uiterlijk binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
VVE. Kort geding. Burengeschil. Onrechtmatige hinder? Geuroverlast? Juridisch kader. Maatstaf.
De rechter oordeelt als volgt.
Beantwoord dient te worden de vraag of eisende partij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde partij onrechtmatig handelt doordat zij geuroverlast veroorzaakt.
De wet bepaalt in artikel 5:37 BW dat men geen hinder mag toebrengen aan zijn buren in een mate of op een wijze die onrechtmatig is (onder meer) door het verspreiden van stank.
Op grond van artikel 6:162 BW kan als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
Verder volgt uit de jurisprudentie dat een belangenafweging nodig is om te komen tot het oordeel dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Deze belangenafweging wordt in de jurisprudentie aan de hand van diverse factoren gemaakt, waaronder:
- de aard van de hinder;
- de ernst van de hinder;
- de duur en frequentie van de hinder;
- de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt;
- de vraag welk (algemeen) belang wordt gediend met de hinder;
- de mogelijkheid en bereidheid om de hinder te voorkomen;
- de vraag of diegene die zich beklaagt zich daar heeft gevestigd voor dan wel na het tijdstip waarop de hinder aanving;
- het tijdstip van de hinder veroorzakende activiteiten;
- de schade die door de hinder is toegebracht;
- het moment waarop wordt geklaagd.
De advocaat van de eisende partij heeft aangevoerd dat er sprake is van ernstige geuroverlast en heeft ter onderbouwing verwezen naar de rapporten van de specialisten.
Ook heeft de eisende partij diverse verklaringen overgelegd van derden die verklaren dat de geuroverlast in de woning zeer ernstig is.
Eisende partij heeft aangevoerd dat hij ten gevolge van de geuroverlast geregeld last heeft van gezondheidsklachten, zoals irritatie aan de luchtwegen en ogen, hoofdpijn, benauwdheid, duizeligheid, misselijkheid en vermoeidheid.
Ook heeft eisende partij erop gewezen dat hij de geuroverlast voortdurend ervaart indien en zodra hij thuis is.
Volgens eisende partij is ook van belang dat hij al in het pand woonde (ver) voordat gedaagde de winkelruimte ging huren.
Dit maakt volgens eisende partij dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Gedaagde partij heeft betwist dat sprake is van onrechtmatige geuroverlast.
Volgens gedaagde partij hangt er juist een aangename geur in en rondom de winkel.
Geoordeeld wordt dat eisende partij als inwoner van de binnenstad weliswaar enige mate van hinder heeft te duchten van omliggende winkels maar hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de aard en ernst van de geuroverlast zodanig is dat een rechter na het voeren van een bodemprocedure tot het oordeel kan komen dat sprake is van onrechtmatige hinder.
Daarbij wordt meegewogen dat de onaangename geur voortdurend – oftewel zonder onderbrekingen – aanwezig is in de woning van eisende partij en dat de winkel van gedaagde zich pas in het gebouw heeft gevestigd toen eisende partij daar al geruime tijd woonde.
Uit zowel het rapport volgt dat sprake is van een zeer onaangename geur in de woning van eisende partij die wordt veroorzaakt door gedaagde.
Het voorgaande maakt dat er aanleiding is voor een ordemaatregel.
Integrale toewijzing van de door eisende partij gevorderde ordemaatregelen leiden feitelijk tot het stilleggen van de bedrijfsvoering van gedaagde.
Gedaagde heeft immers onweersproken aangevoerd dat verkoop van de geurproducten een wezenlijk deel van haar omzet vormt.
Een belangenafweging leidt ertoe dat de vordering daarom niet integraal zal worden toegewezen.
Wel toewijsbaar is de minder verstrekkende ordemaatregel dat gedaagde partij een termijn van twee maanden krijgt om de werkzaamheden uit te voeren die in het rapport worden genoemd.
Indien gedaagde partij daarmee in gebreke blijft, dient zij alle geurproducten uit haar winkel te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde partij daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 250.000,- is bereikt.
Vanwege het effect dat van deze dwangsom uit zal gaan, zal eisende partij vooralsnog niet worden gemachtigd om de wierook, etherische oliën en geurkaarsen te verwijderen met behulp van de sterke arm.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE. over de uitleg van de splitsingsakte of over onrechtmatige hinder zoals geur- of geluidsoverlast, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.