Van onze advocaat VvE. Op 24 november 2015 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan over het al of niet bestaan van een vereniging van eigenaars.

Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Ten tijde van de onderhavige splitsing, op 17 juni 1968, was het appartementsrecht geregeld in de artikelen 638a-638t (oud) BW. Deze bepalingen voorzagen niet in de oprichting van een vereniging van eigenaars (VvE) zoals thans geregeld in artikel 5:111 en 112 BW. Artikel 5:124 BW moet aldus worden verstaan dat een vereniging van eigenaars van rechtswege ontstaat bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten, ook in het geval dat alle appartementsrechten aanvankelijk nog in één hand zijn, mits de splitsingsakte mede de akte van oprichting en de statuten van een VvE inhoudt (HR 12 april 2013 :HR:2013:BY8733).

De onderhavige splitsingsakte met het daarin opgenomen reglement, bevat geen oprichting en geen statuten van een vereniging van eigenaars. Er is ten tijde van de splitsing dan ook reeds hierom geen vereniging van eigenaars in de zin van artikel 5:124 BW ontstaan. In de splitsingsakte zijn slechts bepalingen opgenomen voor het geval de vergadering van eigenaren een vereniging van eigenaars zal oprichten. Gesteld noch gebleken is dat die oprichting op enig moment na de splitsing heeft plaatsgevonden. De conclusie moet zijn dat er ten aanzien van de appartementen van appellante en belanghebbende geen vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 5:124 BW is ontstaan.

Het hof stelt voorop dat belanghebbende en appellante er kennelijk van zijn uitgegaan dat een VvE als bedoeld in artikel 5:124 BW was ontstaan, terwijl zij zich ook naar het bestaan daarvan hebben gedragen. De vraag of uit deze gedragingen kan worden afgeleid dat zij een zogenoemde informele vereniging als bedoeld in artikel 2:30 BW hebben opgericht, zoals de VvE betoogt, behoeft in dit geding geen beantwoording. Ook indien van de oprichting daarvan wordt uitgegaan, komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. De VvE, die geen statuten heeft, heeft immers niets gesteld omtrent haar organisatie als informele vereniging noch over de in die organisatie geregelde wijze van besluitvorming. Dat lag, gelet op het door appellante gevoerde verweer dat de besluiten van 2 april en 4 september 2009 non-existent zijn, wel op haar weg. Aldus kan niet worden vastgesteld dat in de vergadering van de VvE als informele vereniging rechtsgeldig is besloten tot het opleggen van een lidmaatschapsbijdrage van € 160,- per maand per appartementsrecht. Overigens is de VvE, bij gebrek aan een statutaire grondslag, ook niet bevoegd om verbintenissen aan het verenigingslidmaatschap te verbinden (artikel 2:34a BW). De vordering van de VvE ziet echter wel op zodanige verbintenissen.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen in zoverre dat de VvE geen vereniging van eigenaars is in de zin van artikel 5:124 BW.

Indien U vragen heeft over de VvE in het appartementsrecht of over de splitsingsakte belt u dan onze advocaat VvE op 020-7400521.