De Rechtbank Amsterdam heeft op 27 juli 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een door appartementseigenaar aangebrachte wijziging in zijn privé-gedeelte verwijderd diende te worden wegens onredelijke hinder.

De vordering strekt ertoe gedaagde te veroordelen de door hem aangebrachte voorzieningen in de berging op de vierde verdieping te verwijderen.

Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen wijzigingen aan de gemeenschappelijke gedeelten en wijzigingen aan het privé gedeelte van gedaagden.

Over de wijzigingen aan het privé gedeelte van gedaagden heeft eiser gesteld dat:

1) deze veranderingen nadelig zijn voor eisers als bedoeld in artikel 5:119 BW terwijl daar geen toestemming van de VvE voor is gegeven,

2) deze veranderingen onredelijke hinder voor eisers veroorzaken en

3) de aangebrachte harde vloerbedekking in strijd met artikel 17 lid 5 van het Modelreglement zonder toestemming van de VvE is aangebracht.

Appartemensrecht. VVE. Overlast door een aangebrachte wijziging in een privé-gedeelte. Berging. Onredelijke hinder? Bestemming. Gebruik. Toestemming VVE. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de berging op de vierde verdieping van gedaagden onderdeel is van het privégedeelte waarvan gedaagden het exclusieve gebruiksrecht heeft.

Hoe hij die ruimte wil inrichten, is daarom dan ook geheel aan hem, voor zover geen nadeel als bedoeld in artikel 5:119 BW wordt toegebracht of onredelijke hinder wordt veroorzaakt.

Artikel 5:119 lid 1 BW bepaalt dat veranderingen aan het privé gedeelte mogen worden aangebracht, mits deze geen nadeel aan een ander gedeelte toebrengen.

De rechtbank begrijpt dat met nadeel in de zin van deze bepaling wordt bedoeld de directe gevolgen van een aangebrachte verandering.

Daaronder kan niet worden begrepen de mogelijke gevolgen van het gebruikmaken van de – met de veranderingen aangebrachte – voorzieningen.

Niet gebleken is dat de veranderingen in de berging van gedaagde nadeel toebrengen als hiervoor bedoeld aan het privé gedeelte van eiser.

Op grond van artikel 17 lid 1 van het Modelreglement heeft iedere eigenaar het recht op uitsluitend gebruik van zijn privé gedeelte, mits hij aan de andere eigenaars geen onredelijke hinder toebrengt.

Eiser vreest vooral dat onredelijke hinder zal ontstaan bij een bestendig en structureel gebruik van de berging als woon- en verblijfsruimte.

Een dergelijke gebruik is op grond van de bestemming in de splitsingsakte niet toegestaan.

Gelet op de procedure bij de kantonrechter staat nog niet vast of de VvE-vergadering heeft besloten om een bestendig gebruik als verblijfsruimte toe te staan.

Dat betekent dat de rechtbank zich hier zal beperken tot de toets of sprake is van onredelijke hinder als gevolg van het incidentele gebruik van de berging als verblijfsruimte.

Dat eiser onredelijke hinder ondervindt als gevolg van het incidenteel gebruik door gedaagde van de berging als verblijfsruimte en het in dat kader gebruikmaken van de aangebrachte voorzieningen, is onvoldoende feitelijk onderbouwd door eiser.

Hij heeft gesteld dat hij gesprekken in de ruimte op de vierde verdieping heeft kunnen horen en dat hij de voetstappen van gedaagde kan horen.

Dit is echter geen omstandigheid waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van onredelijke hinder.

Dit kan anders zijn indien het kunnen volgen van gesprekken en het horen van voetstappen de grenzen van het aanvaardbare te buiten gaat en verwordt tot overlast.

Een dergelijke mate van geluidsoverlast dient echter te worden onderbouwd en geobjectiveerd. Dat heeft eisers nagelaten.

Verder heeft eiser onvoldoende betwist dat gedaagde begin 2021 een nieuwe, isolerende ondervloer heeft aangebracht in de berging op de vierde verdieping.

Dat onredelijke hinder wordt veroorzaakt, is dus niet komen vast te staan.

Eiser heeft gesteld dat de door gedaagde aangebrachte harde vloerbedekking in de berging op de vierde verdieping niet is toegestaan, omdat deze zonder toestemming van (het bestuur van) de VvE is aangelegd.

Eiser heeft hierbij verwezen naar artikel 17 lid 5 uit het Modelreglement.

Daarbij ziet eiser echter over het hoofd dat in plaats van de standaardbepaling uit het Modelreglement een aangepaste bepaling in de splitsingsakte is opgenomen.

Op grond van het aangepaste artikel 17 lid 5 geldt niet het vereiste van toestemming van de VvE, maar geldt het vereiste van, kort gezegd, voldoende contactgeluidisolatie.

Gedaagde heeft hierover onweersproken naar voren gebracht dat hij de oude laminaatvloer heeft vervangen – vanwege de wens van eiser van een geluiddempende laag – en de nieuwe laminaatvloer zwevend heeft gelegd op een geluiddempende ondervloer.

Volgens gedaagde voldoet de nieuwe laminaatvloer daarmee aan de eisen van artikel 17 lid 5.

Aangezien eiser hier verder niet meer op is ingegaan, staat als onweersproken vast dat de laminaatvloer in de berging van gedaagde voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om gedaagde te veroordelen de begin 2021 aangebrachte voorzieningen te verwijderen.

De vordering moet dus worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.