De Rechtbank Gelderland heeft op 12 juli 2023 uitspraak gedaan over de vraag of een aanbouw op een gemeenschappelijk dakterras verwijderd diende te worden wegens strijd met de splitsingsakte.

Deze zaak draait in de kern om de vraag of gedaagde de aanbouw moet verwijderen.

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt de VvE het volgende.

Gedaagde partij heeft een aanbouw aangebracht aan de gemeenschappelijke delen van het gebouw.

Daarvoor had zij op grond van de splitsingsakte voorafgaande toestemming van vergadering nodig.

Die toestemming had gedaagde niet.

Nadien heeft gedaagde partij alsnog om toestemming gevraagd, maar de vergadering van de VvE heeft dit in stemming gebracht en besloten om de toestemming te weigeren.

De VvE heeft gedaagde herhaaldelijk gevraagd om de aanbouw te verwijderen en het dakterras in de oorspronkelijke staat te herstellen.

Gedaagde partij heeft daaraan geen gevolg gegeven.

Daarmee handelt gedaagde in strijd met de splitsingsakte en dat is onrechtmatig.

Appartemensrecht. VVE. Verbouwing. Aanbouw. Toestemmingsvereiste VVE. Vordering tot verwijdering van de aanbouw wegens strijd met splitsingsakte? Gemeenschappelijk dakterras.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat de aanbouw kwalificeert als “aanbouw” zoals bedoeld in artikel 22 van de splitsingsakte en dat voor het aanbrengen daarvan voorafgaande toestemming van de vergadering nodig is.

Ook staat vast dat gedaagde geen voorafgaande toestemming aan de vergadering heeft gevraagd.

Nadien heeft gedaagde alsnog toestemming aan de vergadering gevraagd, maar dat heeft de vergadering in stemming gebracht en geweigerd.

De vergadering heeft besloten dat gedaagde partij de aanbouw moet verwijderen.

Daarmee staat het belang van de VvE bij haar vordering tot verwijdering van de aanbouw vast.

Gedaagde partij heeft aangevoerd dat zij heeft verzocht om vervangende machtiging tot handhaving van de aanbouw zoals bedoeld in artikel 5:121 BW.

Volgens gedaagde partij ontbreekt een redelijke grond tot weigering van toestemming voor de aanbouw.

De kantonrechter heeft bij beschikking van heden het verzoek van gedaagde partij afgewezen omdat dat geen sprake is van het ontbreken van een redelijke grond tot weigering van toestemming voor de aanbouw.

Dat betekent dat gedaagde partij in strijd met de splitsingsakte zonder voorafgaande toestemming van de vergadering een aanbouw heeft aangebracht, dat die toestemming nog steeds ontbreekt en ook niet via een gang naar de kantonrechter is verkregen.

De VvE heeft gedaagde partij herhaaldelijk verzocht om de aanbouw te verwijderen maar gedaagde partij geeft daaraan geen gevolg.

Daarmee staat vast dat gedaagde partij in strijd handelt met het splitsingsreglement en dat is onrechtmatig, want in strijd met de op gedaagde als appartementseigenaar rustende wettelijke verplichting jegens de andere appartementseigenaren om de bouw en de inrichting van het gebouw tot stand te brengen en in stand te houden in overeenstemming met het daaromtrent in de akte van splitsing bepaalde (artikel 5:108 lid 1 BW).

Omdat vaststaat dat gedaagde in strijd met de splitsingsakte heeft gehandeld, is haar stelling dat zij voor de aanbouw instemming van de aannemer had niet relevant.

Overigens volgt uit de door de VvE overgelegde notulen van de vergadering van 6 juni 2020 dat de aannemer weerspreekt dat hij goedkeuring voor de aanbouw heeft verleend.

De vordering tot verwijdering en het verwijderd houden van de aanbouw en tot het terugbrengen van de gemeenschappelijke delen van het dakterras in de oorspronkelijke staat zal daarom worden toegewezen.

Gedaagde partij heeft er in het kader van haar verweer tegen de dwangsom en boete nog op gewezen dat zij van mening is dat zij na verwijdering van de aanbouw wel een op wielen geplaatst verplaatsbaar scherm mag plaatsen op de plaats van de aanbouw, aangezien het verbod in de splitsingsakte alleen betrekking heeft op (kort gezegd) aard- en nagelvast met het gebouw verbonden elementen.

De rechtbank neemt dit standpunt van gedaagde partij ter kennisneming aan (aangezien de vordering en dus ook de gevorderde dwangsom uitsluitend betrekking heeft op de huidige aanbouw, de verwijdering en het verwijderd houden daarvan en de rechtbank over eventuele andere constructies dus niet heeft te beslissen) en spreekt slechts de hoop en het vertrouwen uit dat partijen na het wijzen van dit vonnis over een kennelijk door gedaagde gewenste vervangende (mobiele) constructie zonder nadere tussenkomst van de (executie)rechter tot overeenstemming zullen kunnen komen.

Verder heeft gedaagde aangevoerd dat een termijn voor verwijdering van de aanbouw van dertig dagen te kort is omdat zij veel in het buitenland verblijft en omdat aannemers schaars zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze termijn inderdaad te kort maar is een termijn van negentig dagen na betekening van het vonnis redelijk, aangezien het hier geen bouwwerkzaamheden maar slechts de verwijdering van een later aangebrachte en relatief eenvoudig te verwijderen constructie betreft, waartoe binnen die termijn een opdracht moet kunnen worden verstrekt en uitgevoerd.

Met langdurig verblijf van de bestuurder van gedaagde partij in het buitenland wordt geen rekening gehouden, aangezien dit voor eigen rekening van gedaagde dient te komen.

De vordering van de VvE tot verwijdering van de aanbouw zal daarom worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.