Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 4 mei 2021 uitspraak gedaan over de toetsingsnorm voor geluidsoverlast dat werd veroorzaakt door vloeren binnen een appartement.

Tussen partijen staat vast dat de in geschil zijnde vloer van appellanten een geluidsisolatiewaarde tussen Ico + 5 dB en Ico + 7 dB heeft.

Daarmee voldoet de vloer aan de norm, zoals vastgelegd in artikel 14 sub a van het sinds 2 maart 2015 in de VvE geldende huishoudelijk reglement (hierna: het HR 2015), dat luidt als volgt:

Het aanbrengen van harde vloerbedekking in de privé gedeelten, met uitzondering van de badkamer(s), de keuken(s) en de toiletruimte(n) is slechts toegestaan indien na aanbrengen van de vloerbedekking een isolatie-index voor contactgeluiden (Ico) wordt bereikt welke aan de minimale waarde voldoet als vermeld in het bouwbesluit dat gold ten tijde van de afgifte van de bouwvergunning voor het gebouw. De isolatie-index wordt bepaald volgens de norm “NEN5077” geluidswering in gebouwen”.

Geïntimeerden hebben bestreden dat uit hoofde van het ten tijde van de bouw geldende bouwbesluit een isolatienorm van +5 dB geldt, maar nu in § 2.1 van het door hen in eerste aanleg overgelegde rapport van G Raadgevende Ingenieurs is aangenomen dat het Bouwbesluit 2003 van toepassing is en dat NEN 5077, waarnaar daarin wordt verwezen, voor contactgeluidsoverdracht een isolatienorm van + 5 dB inhoudt, zal het hof daarvan uitgaan.

Geïntimeerden hebben niet nader toegelicht dat er voor het appartementengebouw een andere norm zou gelden.

Appartementsrecht. VVE. Onrechtmatige hinder. Geluidsoverlast. Toetsing aan norm geluidsisolatiewaarde van vloeren. Akte van splitsing en huishoudelijk reglement.

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens geïntimeerden is het besluit tot vaststelling van artikel 14 HR 2015 in strijd met artikel 16 lid 1 van de akte van splitsing en daarom nietig in de zin van artikel 2:14 BW, in verband met 5:129 lid 1 BW.

Het in de ondersplitsingsakte van toepassing verklaarde artikel 26 lid 1 van het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie luidt als volgt:

De vloerbedekking van de privé-gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers“.

Uit dit artikel vloeit voort dat in het huishoudelijk reglement van de VVE normen gesteld kunnen worden waaraan de vloerbedekking dient te voldoen.

De eis om vloerbedekking te gebruiken die van een dusdanige samenstelling is dat contactgeluiden zoveel mogelijk worden tegengegaan en geen onredelijke hinder ontstaat, kan met andere woorden nader worden ingevuld met normen die in het huishoudelijk reglement worden vastgelegd.

Het is daarbij dus aan de VVE om middels het huishoudelijk reglement te bepalen welke norm geldt.

De vastlegging van (indirect) de norm Ico + 5 dB kan daarom niet geacht worden in strijd te zijn met het bedoelde artikel 26.

Dat in de splitsingsakte geen onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van het gebruik dat wordt gemaakt van ruimten, maakt niet dat de VVE niet de mogelijkheid heeft om dat onderscheid te maken en bijvoorbeeld de normen die gelden dan voor verblijfsruimtes niet van toepassing te laten zijn op badkamers, keukens en toiletruimten.

Verder is artikel 14 onder a HR 2015, inclusief de verwijzing naar het toepasselijke bouwbesluit, in tegenstelling tot hetgeen geïntimeerden aanvoeren, voldoende duidelijk en concreet.

De overige door geïntimeerden aangedragen argumenten voor het aannemen van nietigheid, te weten dat Ico + 10 dB een algemeen aanvaardbare norm is, dat de norm van het Bouwbesluit alleen betrekking zou hebben op de kale dekvloer zonder vloerbedekking en dat geïntimeerden geluidsoverlast hebben ervaren, kunnen niet tot nietigheid krachtens artikel 2:14 BW leiden.

Geïntimeerden hebben niet tijdig een verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV ingediend.

Om die reden dient het beroep van geïntimeerden op vernietiging wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 juncto artikel 2:8 BW) ook verworpen te worden.

Nu appellanten met de in geschil zijnde vloer voldoen aan de norm zoals die in 2015 is vastgelegd door de VVE, gaat het beroep van geïntimeerden op onrechtmatige hinder in de zin van artikel 6:162 jo. 5:37 BW evenmin op.

Van appellanten kan niet worden verlangd dat zij aan een hogere isolatienorm voldoen dan de norm die voor alle appartementseigenaren in het gebouw geldt.

Dat appellanten en/of hun bezoekers op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is geluid hebben geproduceerd is onvoldoende onderbouwd gesteld door geïntimeerden.

Geïntimeerden hebben bij memorie van antwoord subsidiair gesteld dat het HR 2015 in strijd met artikel 59 lid 6 van het modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie niet is gepubliceerd in de openbare registers en daarom niet aan geïntimeerden kan worden tegengeworpen.

In dit verband moet bedacht worden dat de vorderingen tegen appellanten zijn ingesteld op grond dat zij zich niet zouden hebben gehouden aan artikel 13 van het (concept-) HR d.d. 24 september 2012.

Hierboven heeft het hof echter vastgesteld dat in elk geval ten tijde van het uitvoeren van het eindvonnis geen sprake was van overtreding van de norm waarop geïntimeerden hun vorderingen hadden gebaseerd.

Hier gaat het dus om een oudere norm die geïntimeerden aan appellanten tegenwerpen.

Bovendien hebben appellanten terecht aangevoerd dat het publicatievoorschrift is bedoeld om derden te informeren over de aard en inhoud van het huishoudelijk reglement, terwijl geïntimeerden lid waren van de VVE en uit dien hoofde waren gebonden aan het besluit van 2 maart 2015.

Geïntimeerden hebben overigens tijdig van het besluit tot vaststelling van het HR 2015 kennisgenomen.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vorderingen van geïntimeerden alsnog afgewezen moeten worden en dat het bestreden vonnis ten onrechte is uitgevoerd.

Aangezien het HR 2015 al was vastgesteld op het moment dat de rechtbank eindvonnis heeft gewezen en de vloer van appellanten op dat moment voldeed aan de nieuwe norm, bestaat er voldoende grond om de vordering tot terugbetaling van de betaalde proceskosten in eerste aanleg (in conventie) en dwangsommen toe te wijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE  op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.