De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over geluidsoverlast in het appartementsrecht.

De VvE vordert verwijdering van de (vier) honden uit het appartement van gedaagde, omdat die geluids- en stankoverlast veroorzaken waarover veel leden van de VvE hebben geklaagd.

Aan haar vordering legt de VvE – samengevat – ten grondslag dat het geblaf van de vier honden van gedaagde ernstige geluidsoverlast veroorzaakt voor de bewoners, terwijl het uitlaten van de honden op het balkon tot vervuiling en ernstige stankoverlast leidt.

Ondanks herhaaldelijke waarschuwingen heeft gedaagde geen gevolg gegeven aan sommaties om het overlastveroorzakende gedrag te staken.

Daarmee handelt hij in strijd met zowel het Huishoudelijk als het Splitsingsreglement van de VvE, welk gedrag (subsidiair) tevens kwalificeert als onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 jo. 6:162 BW.

Erfrecht. Kort geding. Overlast. Geluidoverlast. Onrechtmatige daad. VVE vordert verwijdering van honden uit appartement. Geluids- en stankoverlast. Toetsing. Dwangsom.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven.

De voorzieningenrechter staat steeds voor de vraag of het verantwoord is om door middel van het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen op de beslissing in een eventuele bodemprocedure.

Daarbij dient de voorzieningenrechter zich er rekenschap van te geven dat zowel de feiten als de juridische waardering daarvan onzeker kunnen zijn, de geschilpunten ingewikkeld en de voorziening zelf soms ingrijpend.

Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Uit de door de VvE overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een bestendig patroon van structurele overlast, zowel als gevolg van geluid (veelvuldig en langdurig blaffen) als wegens stankoverlast.

Zo zijn foto’s van het balkon van het appartement van gedaagde in het geding gebracht waarop de ontlasting van de honden is te zien en bevat het dossier diverse verklaringen van verschillende eigenaars, waaronder de directe buren van gedaagde, met klachten over de door hen ervaren overlast als gevolg van het feit dat de honden veelvuldig blaffen en hun behoefte doen op het balkon.

Ook is correspondentie overgelegd waaruit valt af te leiden dat zelfs noodzakelijke schilder- en onderhoudswerkzaamheden niet meer gedaan (kunnen) worden bij het appartement van gedaagde, omdat de daarvoor door de VvE ingeschakelde werklieden, in verband met de door hen waargenomen vervuiling, hun werkzaamheden niet meer kunnen of willen uitvoeren.

Alhoewel naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van geluidsoverlast, ziet de voorzieningenrechter voor het verwijderen van alle honden in verband hiermee voorshands onvoldoende grond.

Ter zitting heeft de VvE bij monde van haar voorzitter desgevraagd aangegeven dat een belangrijk deel van de (geluids)overlast met name wordt ervaren sinds de aanwezigheid van de Bouvier in het appartement van gedaagde.

Ook betrokkene heeft namens gedaagde ter zitting erkend dat het met name déze hond is die veelvuldig blaft en makkelijk aanslaat bij (onder meer) het geluid van sirenes en het rinkelen van de (deur)bel.

Dat brengt de voorzieningenrechter ertoe om, bij wijze van ordemaatregel, de vordering met betrekking tot de Bouvier toe te wijzen.

Dat betekent dus dat gedaagde díe hond uit het appartement zal moeten verwijderen en verwijderd houden en hiervoor in de plaats geen nieuwe hond in huis mag nemen, zodat er vanaf nu hooguit drie honden in de woning van gedaagde aanwezig mogen zijn.

De door de bewoners ervaren overlast bestaat echter niet alleen uit geluids- maar ook uit stankoverlast.

Gedaagde heeft weliswaar aangevoerd dat inspecteurs van de GGD en de dierenpolitie geen overlast hebben geconstateerd, maar dat verweer wordt gepasseerd.

Niet alleen waren die inspecties veelal vooraf aangekondigd, maar ook betekent het feit dat de GGD de overlast niet zelf heeft vastgesteld nog niet dat er geen overlast ís.

Dat gedaagde de honden hun behoefte op het balkon laat doen, heeft hij ter zitting immers met zoveel woorden erkend.

Daarmee is ook de stankoverlast voorshands voldoende aannemelijk geworden.

Dat gedaagde c.q. betrokkene de uitwerpselen ‘altijd meteen weghaalt’, zoals hij ter zitting heeft betoogd, doet daar niet aan af.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het een feit van algemene bekendheid dat urine en uitwerpselen van dieren gepaard gaan met de nodige verspreiding van geur c.q. stank, hetgeen zonder meer tot overlast kan leiden.

Dat geldt temeer waar het – zoals in het onderhavige geval – een balkon betreft dat grenst aan de buitenruimte van andere bewoners van de flat.

Daar is een balkon niet voor bedoeld en de overige bewoners hoeven een dergelijke overlast dan ook niet te dulden.

Gelet op het vorenstaande zal de op te leggen ordemaatregel derhalve ook betrekking moeten hebben op het terugdringen van de stankoverlast.

Voor het verwijderen van alle honden is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook in dit verband voorshands (nog) geen plaats.

De VvE heeft weliswaar bij brief van 26 april 2023 aan gedaagde medegedeeld over te zullen gaan tot het opleggen van een verbod op het houden van honden als de stankoverlast aanhoudt, maar nu gesteld noch gebleken is dat de in diezelfde brief aangezegde boete van € 50,- ooit is opgelegd, is de stap tussen die aanzegging en het uitvoering geven aan een opgelegd algeheel verbod om nog honden te houden, voorshands te groot.

De voorzieningenrechter zal daarom volstaan met een verbod om de achtergebleven (drie) honden op het balkon hun behoefte te laten doen.

Dat verbod geldt eveneens voor andere openbare plekken van het flatgebouw, waaronder de gezamenlijke ruimte op de twaalfde verdieping en de lift(en).

Om er voor te zorgen dat gedaagde aan dit verbod zal voldoen, zal de voorzieningenrechter tevens een gebod opleggen om de honden iedere dag buiten uit te laten.

De gevorderde dwangsom zal voor wat betreft de verwijdering van de hond (Bouvier) uit het appartement, worden afgewezen, omdat de VvE met de eveneens gevorderde machtiging om de nakoming van het gebod zo nodig af te dwingen met de sterke arm, reeds over voldoende middelen beschikt om ervoor te zorgen dat gedaagde aan het vonnis zal voldoen.

Een (extra) financiële prikkel in de vorm van een dwangsom is daarvoor niet nodig.

Met betrekking tot het verbod om de andere drie honden hun behoefte te laten doen op het balkon of op openbare plekken in het flatgebouw, zal wel een dwangsom worden opgelegd.

Ter zitting heeft gedaagde bereidheid getoond om zich aan dit verbod te houden (en de honden dus niet langer op het balkon ‘uit te laten’), zodat hij de verbeurte van een dwangsom zelf in de hand heeft.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat het aan gedaagde (en betrokkene) is om zich actief in te spannen om iedere vorm van (verdere) overlast te voorkomen, zodat op termijn de overige drie honden niet alsnog zullen moeten worden verwijderd uit het appartement van gedaagde.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.