Van onze advocaat VVE. Op 22 februari 2017 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan over een besluit van de VVE waarbij de appartementseigenaar toestemming was geweigerd voor het installeren van een traplift in het gemeenschappelijk trappenhuis.

Beoordeeld diende te worden of de VVE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om geen toestemming aan verzoeker te geven voor het doen aanbrengen van een traplift in het gemeenschappelijk trappenhuis. Daarbij komt het dus aan op een afweging van de belangen van verzoeker en die van de VVE.

Niet betwist is dat verzoeker als gevolg van zijn fysieke beperkingen zijn appartement op de tweede etage, via de trap thans slechts met moeite kan bereiken. Op de keper beschouwd is de mogelijkheid van verzoeker om het appartement te kunnen blijven bewonen dan ook uitsluitend afhankelijk van de aanwezigheid van een traplift. Daarmee is zijn belang bij de aanwezigheid van een traplift gegeven en evident.

Aan verzoeker kan bezwaarlijk worden tegengeworpen, zoals de VVE doet, dat hij zich bij aankoop van het appartement in 1998, toen hij circa 63 jaar oud was, geen of onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de problemen die op hoge leeftijd zouden kunnen gaan ontstaan als gevolg van het feit dat het een appartement op de tweede etage betreft dat uitsluitend over de trap bereikbaar is.

Verder heeft de advocaat van de VVE naar voren gebracht dat de waarde van de appartementsrechten van de overige leden negatief zullen worden beïnvloed door de aanwezigheid van een traplift in het gemeenschappelijk trappenhuis. Dat zulks daadwerkelijk het geval is en in welke mate daarvan sprake zal zijn, is echter op geen enkele manier door de VVE naar voren gebracht en onderbouwd. Dat standpunt van de VVE wordt in het kader van de te maken belangenafweging dan ook terzijde gesteld.

De advocaat van de VVE voert aan dat de aanwezigheid van een traplift tot beperking van de ruimte in het trappenhuis zal leiden en de vrije doorgang in het trappenhuis zodanig zal beperken dat een situatie ontstaat die strijdig is met bouwvoorschriften.

Uit de gegevens van de traplift in samenhang met de afmetingen van het trappenhuis en hetgeen de VVE naar voren heeft gebracht, volgt niet dat de aanwezigheid en het gebruik van de traplift in strijd zal komen met bouwvoorschriften.

Ten slotte heeft de VVE gewezen op het risico dat zij te zijner tijd mogelijkerwijs zal opdraaien voor de kosten van verwijdering van de traplift en de schade aan het trappenhuis die bij verwijdering van de traplift eventueel zal ontstaan.

De slotsom is dat de VVE bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen geen toestemming aan verzoeker te geven voor het doen aanbrengen van een traplift in het gemeenschappelijk trappenhuis. Het besluit zal worden vernietigd.

Aan verzoeker zal machtiging worden verleend voor het doen aanbrengen van een traplift in het gemeenschappelijk trappenhuis, onder toewijzing van het verzoek van de VVE tot het stellen van zekerheid door verzoeker, waarbij ten overvloede wordt overwogen dat de wijze van gebruik van de traplift door verzoeker uiteraard zal dienen plaats te vinden op een wijze die voor de overige bewoners en leden van de VVE zo min mogelijk hinder veroorzaakt.

Heeft u vragen over de VVE, over de bevoegdheden van de VVE of over de nietigheid dan wel vernietigbaarheid van een besluit van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.