Van onze advocaat VVE. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 maart 2019 uitspraak gedaan over het plaatsen van een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimte van een appartement. Was het besluit van de VVE tot verwijdering vernietigbaar?

In dit geding heeft geïntimeerde om vernietiging verzocht van het besluit van de VvE van 15 augustus 2017 en verzocht de VvE te verplichten geïntimeerde een sleutel van de deur van de containerruimte ter beschikking te stellen en de gemeente Haarlemmermeer ongehinderd bepaalde benodigde aanpassingen aan te laten brengen.

Zij acht het besluit van de VvE in strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 sub b BW.

De kantonrechter heeft het verzoek van geïntimeerde toegewezen.

Tegen dat oordeel en de gronden waarop het berust is de VvE in dit hoger beroep opgekomen, en geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel.

VVE. Plaatsing scootmobiel in gemeenschappelijke ruimte. Vernietiging besluit VvE wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

De VvE plaatst blijkens haar tweede grief vraagtekens bij de noodzaak voor geïntimeerde van het gebruik van een scootmobiel omdat zij lopend, soms zelfs boodschappentassen tillend, wordt gezien en zij ook geen (kennelijk:) WMO-indicatie voor een scootmobiel heeft overgelegd.

Geïntimeerde heeft erkend dat zij wel korte afstanden kan lopen, alleen geen lange afstanden. Zij heeft ter onderbouwing van de noodzaak om een scootmobiel te gebruiken enkele stukken overlegd. Uit de brief van dr. N. de Korte, chirurg in het Spaarne Gasthuis volgt dat geïntimeerde weliswaar korte afstanden kan lopen en een trap op en af kan, maar gezien haar mobiliteitsbeperking voor lange afstanden permanent is aangewezen op een rolstoel of scootmobiel.

De als productie opgenomen e-mail van de Casemanager Zorg en ondersteuning van de gemeente van 7 maart 2018 bevestigt voorts, dat er vanuit de WMO een indicatie is voor het verstrekken van een scootmobiel aan geïntimeerde en (nu geïntimeerde haar scootmobiel op eigen kosten heeft aangeschaft) voor het aanpassen van de algemene ruimte ten behoeve van de scootmobiel.

Volgens de VvE kunnen deze verklaringen niet volstaan ter onderbouwing van geïntimeerde haar standpunt omdat deze niet afkomstig zijn van een gezamenlijk door partijen aangewezen onafhankelijk deskundige zoals bepaald in artikel 23 lid 4 Modelreglement 2017; weliswaar is dat modelreglement formeel niet van toepassing, maar volgens de VvE codificeert dat reglement de heersende jurisprudentie.

Het hof volgt de VvE echter niet in die opvatting. Er bestaat geen reden tot twijfel aan de juistheid en onafhankelijkheid van de zojuist weergegeven verklaringen en uit de e-mail van de gemeente blijkt onomwonden dat geïntimeerde een WMO-indicatie heeft voor een scootmobiel.

Daarmee staat, als onvoldoende bestreden, vast dat geïntimeerde een scootmobiel nodig heeft.

De VvE trekt voorts in twijfel dat geïntimeerde een scootmobiel met de omvang van haar huidige nodig heeft.

De VvE heeft niet dan wel onvoldoende bestreden dat geïntimeerde inmiddels niet meer beschikt over de tweede (kleinere) scootmobiel die zij oorspronkelijk (ook) gebruikte, dus het hof zal daarvan uitgaan.

Uit de verklaring van de fysiotherapeut van geïntimeerde van 24 mei 2018 volgt dat een kleinere type voor haar in de praktijk niet geschikt bleek. Zij heeft niet alleen een scootmobiel nodig met vering (om voor haar pijnlijke schokken op te vangen) maar ook een met een zodanige omvang dat zij daarop met een gestrekt been kan zitten; geïntimeerde kan haar been namelijk niet voor langere tijd dan een paar minuten naar beneden houden. Verder heeft haar huidige (grotere) scootmobiel een grotere actieradius en verschaft deze geïntimeerde daarom meer bewegingsvrijheid, hetgeen voor haar van wezenlijk belang is.

Voor zover de VvE ook hier betoogt dat en waarom een gezamenlijk benoemde onafhankelijke deskundige de noodzaak van de (huidige) scootmobiel voor geïntimeerde had moeten vaststellen wordt dit betoog eveneens verworpen.

Het voor het overige gevoerde verweer van de VvE bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid en de onafhankelijkheid van de verklaring van de fysiotherapeut van geïntimeerde te twijfelen.

Het hof zal er daarom vanuit gaan dat deze scootmobiel voor geïntimeerde noodzakelijk is.

Anders dan geïntimeerde suggereert bepaalt artikel 6b onder d Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte niet, laat staan met zoveel woorden, dat de VvE verplicht is mee te werken aan plaatsing van een scootmobiel in de gemeenschappelijke ruimten.

Bij de beslissing om al dan niet toestemming te verlenen de scootmobiel in de containerruimte te mogen plaatsen dient de ledenvergadering van de VvE, die krachtens de Akte van Splitsing tot een dergelijke beslissing bevoegd is, op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW vereist in acht te nemen.

Beoordeeld moet daarom worden of de VvE bij het besluit die toestemming niet te verlenen, bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

De VvE heeft er op gewezen dat bij de beoordeling dient te worden betrokken dat geïntimeerde het appartement kocht zonder eerst te verifiëren of zij haar scootmobiel in een gemeenschappelijke ruimte kon én mocht stallen.

Daarmee heeft zij het risico op de koop toe genomen dat die toestemming zou worden geweigerd.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de VvE daaraan nog toegevoegd dat andere leden in een met die van geïntimeerde vergelijkbare situatie keuzes plachten te maken waardoor geen beroep op de gemeenschappelijke ruimten hoefde te worden gedaan, zoals de keuze voor een kleiner type vervoermiddel (dat in de eigen berging of woning kan worden gestald), of zelfs om te verhuizen indien er binnen de privé ruimten geen stallingsplaats kon worden gevonden.

Hoewel deze achtergrond kan verklaren waarom het verzoek van geïntimeerde (nieuw in het appartementencomplex) door de andere leden zeer koel werd ontvangen, betekent dit nog niet dat geïntimeerde geen aanspraak meer kon maken op het verkrijgen van toestemming als bedoeld in artikel 13 van de Akte van Splitsing.

Of en zo ja in welke mate de VvE vervolgens bij de belangenafweging die het verstrekken van de toestemming vergt, rekening moet houden met een door een lid zelf bewerkstelligd fait accompli valt verder niet in algemene zin te beantwoorden, maar dat antwoord hoeft in dit geval ook niet te worden gegeven, zoals uit het hierna overwogene volgt.

Het debat tussen partijen spitst zich toe op de vraag naar de beschikbaarheid van een reëel alternatief voor de stalling van de scootmobiel in de containerruimte, dat er volgens geïntimeerde niet is en volgens de VvE wel.

De VvE heeft met haar grieven gewezen op de mogelijkheid de scootmobiel in een buitenbox te stallen of in de eigen transportbus van geïntimeerde.

De overige alternatieven die de VvE in hoger beroep heeft aangevoerd gaan uit van een kleiner type scootmobiel dan geïntimeerde nodig heeft en zullen daarom, gelet op het hiervoor overwogene, niet meer worden besproken.

Op dit moment is er bij het appartementencomplex geen buitenbox.

Niet is toegelicht wat de kosten om er een te plaatsen zullen zijn en tussen partijen is in geschil (zonder dat een der partijen het standpunt ter zake voldoende heeft onderbouwd) of een buitenbox op het terrein van de VvE kan worden gerealiseerd.

Wat plaatsing in een buitenbox voor de actieradius van de scootmobiel betekent en hoe (en tegen welke kosten) een eventuele verminderde actieradius kan worden voorkomen houdt partijen ook verdeeld.

Het plaatsen van de scootmobiel in de transportbus van geïntimeerde betekent dat de scootmobiel niet opgeladen kan worden, dan wel (en ervan uitgaand dat een laadpaal bij de invalidenparkeerplaats wordt geplaatst) slechts met het raam van de transportbus open.

Het laden van de scootmobiel duurt volgens geïntimeerde ca. 10 uur. Ook moet geïntimeerde dan de scootmobiel (van 174 kilo) voor ieder gebruik uit de bus halen en daar weer in terugplaatsen, hetgeen belastend voor haar is.

Dit alternatief betekent voor geïntimeerde tevens dat het gebruik van haar transportbus aan beperkingen wordt onderworpen, onder meer omdat geen passagiers mee kunnen als – naast haar rolstoel – ook de scootmobiel steeds in de transportbus moet kunnen blijven.

Als gevolg van de beslissing van de kantonrechter staat de scootmobiel inmiddels ongeveer een jaar in de containerruimte.

Gesteld noch gebleken is dat als gevolg daarvan iets anders heeft moeten plaatsmaken: de ruimte was kennelijk beschikbaar.

Uit het door beide partijen in het geding gebrachte rapport van Bureau Bouwpathologie van 2 januari 2018 blijkt dat er net genoeg plek is om de achterste container uit de ruimte naar buiten te rijden wanneer de scootmobiel strak tegen de achterwand wordt geplaatst. Op de in het geding gebrachte foto’s is voorts te zien dat het gangpad tussen de containers en de muur niet wordt geblokkeerd door de scootmobiel, die in een ruimte ná de muur is geplaatst en niet voorbij de muur steekt. Evenmin wordt de ruimte tussen de containers en de uitgang belemmerd.

Zo er al problemen waren in verband met brandveiligheid zijn die oplosbaar gebleken. Sinds het tijdstip dat de scootmobiel er staat zijn er geen schades door of aan de scootmobiel opgetreden; dat hier toch een serieus te nemen risico voor schade voor de VvE bestaat, zoals zij met haar derde grief betoogt, is onvoldoende door haar geconcretiseerd.

Volgens de VvE werd het legen van de containers op enig moment bemoeilijkt door de aanwezigheid van de scootmobiel: geïntimeerde heeft dat betwist onder verwijzing naar een recente brief van het afvalverwerkingsbedrijf, waaruit volgt dat dat slechts een incident betrof en de scootmobiel geen problemen voor het legen van de containers oplevert.

De VvE trekt die laatste verklaring weliswaar in twijfel, maar heeft daarmee nog niet aangevoerd dat zich op dit vlak nog problemen voordoen, zodat het hof ervan uit zal gaan dat die inmiddels zijn opgelost. De slotsom moet luiden dat de containerruimte een passende stallingsruimte voor geïntimeerde ’ scootmobiel is en geen (noemenswaardige) nadelen voor de VvE met zich brengt.

Gegeven de beschikbaarheid van een passende ruimte voor de scootmobiel van geïntimeerde en in het licht van het feit dat er op dit moment geen ander lid van de VvE is dat om dezelfde redenen aanspraak op die ruimte maakt, zijn de door de VvE genoemde alternatieven thans niet reëel te noemen.

Deze zijn hetzij te zeer met (technische, praktische dan wel financiële) onzekerheden omgeven (de buitenbox) hetzij voor geïntimeerde met haar handicap te ingrijpend (stallen in de eigen transportbus), bezien in het licht van het relatief probleemloze stallen in de containerruimte.

Hetgeen geïntimeerde daarover heeft aangevoerd heeft de VvE onvoldoende gemotiveerd weersproken. Bewijslevering is dan niet aan de orde.

De feitelijke beschikbaarheid van een stallingsplaats voor de scootmobiel van geïntimeerde en de afwezigheid van redenen die de VvE ertoe nopen die plaats niet aan haar ter beschikking te stellen brengen mee dat het hof de vervangende machtiging als hierna te vermelden zal verstrekken.

Het enkele risico dat een zekere precedentwerking van de toestemming aan geïntimeerde kan uitgaan weegt onvoldoende zwaar om anders te beslissen en hetzelfde geldt voor het feit dat geïntimeerde pas om toestemming heeft gevraagd nadat zij haar appartement had gekocht.

De grieven falen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het appartementsrecht, over de VVE, over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de splitsingsakte of het splitsingsreglement, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.