De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over een verzoek tot vervangende machtiging voor het plaatsen van een scootmobiel van een gehandicapte in gemeenschappelijke ruimte van een appartement.

Verzoekende partij verzoekt om vervangende machtiging (artikel 5:121 BW) te verlenen voor het plaatsen van de scootmobiel en de driewielfiets in de containerruimte, (subsidiair de fiets in de fietsenberging) waarbij de kasten in die ruimte verplaatst moeten worden zodat er voldoende ruimte is om de transfer van de rollator naar de hulpmiddelen te maken, op de vloer markering wordt aangebracht voor het plaatsen van de hulpmiddelen, een extra wandcontactdoos wordt geplaatst en de toegangsdeur naar de containerruimte elektrisch bedienbaar wordt gemaakt.

Aan het verzoek heeft verzoekende partij ten grondslag gelegd dat het weigeren van een van de twee verzochte opties, die door de ergotherapeut als geschikt zijn bevonden, zonder redelijke grond is gebeurd.

De vrijheid van de VvE bij het nemen van een besluit wordt begrensd door de regeling van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH).

Artikel 6b van de WGBH brengt mee dat de VvE de toestemming niet mag weigeren als er geen alternatieve stallingsmogelijkheden zijn.

De alternatieven moeten objectief bezien redelijkerwijs geschikt zijn.

Er zijn in dit geval geen geschikte alternatieven voor het plaatsen van de hulpmiddelen.

De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan.

De containerruimte en fietsenberging zijn niet geschikt voor het stallen van (meerdere) hulpmiddelen.

Bovendien zijn er betere alternatieve plaatsen voor de stalling beschikbaar.

De containerruimte is (niet langer) geschikt omdat verzoekende partij meer ruimte nodig heeft om te kunnen manoeuvreren en die ruimte is er niet.

Er staan meerdere containers en andere bewoners, die ook al op leeftijd zijn, kunnen dan hun afval niet meer zelfstandig deponeren.

De fietsenberging is evenmin geschikt nu die te krap is voor de driewielfiets.

Voorts is het exclusief in gebruik geven van een gemeenschappelijk gedeelte in strijd met de splitsingsakte.

Een toestemmingsbesluit van de VvE tot dat gebruik zou dan ook nietig zijn.

Bij toewijzing van het verzoek wordt gevraagd om de kosten die daaruit voortkomen ten laste van verzoekende partij te laten komen.

Appartemensrecht. VVE. Vervangende machtiging voor het plaatsen van een scootmobiel in gemeenschappelijke ruimte. Hulpmiddel van een gehandicapte. Toetsing van mogelijke alternatieven.

De rechter oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat verzoekende partij, gelet op zijn progressieve ziekte, aangewezen is op de hulpmiddelen die nu onderwerp van het geschil zijn.

De VvE heeft als weigeringsgrond aangevoerd dat er geschiktere alternatieven zijn om die hulpmiddelen te stallen en dan met name de eigen parkeerplaats in de garage.

Vooropgesteld wordt dat de vrijheid die de VvE toekomt bij beslissingen omtrent het mogen plaatsen van een scootmobiel in de gemeenschappelijke gedeelte, wordt begrensd door artikel 6b onder d van de WGBH.

Die regeling brengt in de onderhavige zaak mee dat de VvE de toestemming niet mag weigeren indien verzoekende partij geen alternatieve stallingsmogelijkheden heeft voor zijn scootmobiel en de driewielfiets die hij nodig heeft om zich buitenshuis te verplaatsen.

De alternatieven dienen – objectief bezien – redelijkerwijs geschikt te zijn.

In beginsel speelt geen rol of verzoekende partij ze zelf geschikt vindt, dan wel het eigen alternatief wenselijker acht.

Daarnaast acht de kantonrechter van belang dat de VvE met het huishoudelijk reglement als uitgangspunt heeft genomen dat hulpmiddelen in de eerste plaats gestald moeten worden op de eigen parkeerplaats.

Pas als dat niet mogelijk is komen andere locaties in beeld.

In dat licht moet de alternatieve stallingslocatie van de VvE dan ook worden bezien.

Verder dient de aanvaardbaarheid van mogelijke alternatieven te worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gehandicapte of chronisch zieke om wie het gaat.

Beoordeeld moet worden of de alternatieven, gelet op de aard van de handicap of ziekte en de daaruit voortvloeiende beperkingen, zowel de huidige als de toekomstige zoals die bij een progressieve aandoening zijn te verwachten, voor verzoekende partij fysiek haalbaar zijn.

Hoewel verzoekende partij als geen ander zijn beperkingen kent, brengt voornoemde maatstaf wel mee dat zijn opvattingen niet zonder meer hoeven worden overgenomen, maar dienen te worden getoetst.

Een dergelijke beoordeling kan alleen worden gemaakt met voldoende kennis van en ervaring met het desbetreffende ziektebeeld en de daarbij horende beperkingen.

Alleen met die kennis kan een verantwoord oordeel worden gegeven over de bezwaren die verzoekende partij tegen de alternatieven heeft geuit.

De kantonrechter hecht dan ook veel waarde aan de overgelegde uitgangspunten en bevindingen van de ergotherapeut.

De ergotherapeut heeft – kort gezegd – voor de meest geschikte locatie de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • -met de rollator te bereiken op zo kort mogelijke afstand van de woning;
  • -er is voldoende ruimte om vanaf de rollator de transfer van en naar de scootmobiel/driewielfiets te maken;
  • -de ondergrond moet zo vlak mogelijk zijn;
  • -de toegangsdeur(en) moet makkelijk dan wel elektronisch te openen zijn;
  • -er moet een oplaadpunt aanwezig zijn.

Hoewel de ergotherapeut meerdere opties heeft bekeken, valt op dat de eigen parkeerplaats van verzoekende partij daarin niet als optie is meegenomen.

Dit terwijl [verzoekende partij] ten tijde van het onderzoek bekend was met de wens van de VvE dat hij zijn eigen parkeerplaats moest gaan gebruiken.

Uit de rapportage maakt de kantonrechter op dat van de opties die de ergotherapeut heeft onderzocht eigenlijk geen één echt geschikt was.

De containerruimte is als de meest geschikte locatie genoemd, maar heeft als nadeel dat er een schuine helling is en de deur lastig te openen is.

Die schuine helling komt niet overeen met de vlakke ondergrond die noodzakelijk wordt geacht omdat verzoekende partij instabiel staat.

Dat de ergotherapeut de parkeerplaats niet geschikt acht, zoals gesteld bij brief van 17 september 2024, is niet gebleken.

Dat blijkt niet uit die brief en evenmin uit het later opgestelde rapport.

Kijkend naar de uitgangspunten die de ergotherapeut heeft geformuleerd komt de eigen parkeerplaats naar het oordeel van de kantonrechter als het meest geschikte naar voren.

Mocht de afstand van de toegangsdeur tot aan de parkeerplaats te groot zijn, dan heeft een medebewoner zich bereid verklaard om zijn parkplaats nr. 33 te ruilen met die van verzoekende partij.

Parkeerplaats nr. 33 is schuin tegenover de ingang van de parkeergarage vanuit de hal met de lift.

Daarmee wordt voldaan aan de zo kort mogelijke afstand vanaf de woning.

Niet weersproken is dat de parkeerplaats voldoende ruimte biedt om de gewenste transfer van en naar de rollator te kunnen maken.

De ondergrond van de garage is vlak en volledig waterpas.

Wat betreft de gladheid bij regenval is al aangeboden om op de vloer een antislip laag aan te brengen.

De toegangsdeur naar de garage is geautomatiseerd en het aanbrengen van een oplaadpunt zal geen obstakel hoeven vormen, omdat dat ook bij de containerruimte zou moeten plaatsvinden.

Verzoekende partij heeft aangevoerd dat hij bang is voor vernielingen en of diefstal van de op zijn parkeerplaats achtergelaten hulpmiddelen.

Hoewel die angst enigszins voorstelbaar is, acht de kantonrechter die niet van doorslaggevend belang.

De VvE heeft onweersproken gesteld dat de garage is afgesloten van het openbare gebied en dat in al die jaren er slechts één incident heeft plaatsgevonden.

Bovendien zijn er mogelijkheden om diefstal te voorkomen dan wel te bemoeilijken.

Tot slot concludeert de kantonrechter dat uit de overgelegde videobeelden onvoldoende blijkt dat de toegang tot de garage vanuit de hal met de elektrische rolstoel tot gevaarlijke situaties leidt.

Dat in 2011 wel toestemming is verleend aan verzoekende partij om zijn scootmobiel in de containerruimte te plaatsen was mede omdat verzoekende partij de parkeerplaats op dat moment nog gebruikte voor zijn auto.

Vanaf 2023 beschikt hij niet meer over een auto en staat de parkeerplaats leeg.

Daar komt bij dat in 2011 het alleen om de scootmobiel ging en niet ook om de driewielfiets.

Verder had hij toen nog niet de extra ruimte nodig om de transfer te kunnen maken van de rollator naar de scootmobiel/driewielfiets en andersom.

Tijdens de mondelinge behandeling, maar ook uit de overgelegde brieven van de VvE aan verzoekende partij, blijkt dat vooralsnog geen bezwaar wordt gemaakt van de stalling van de scootmobiel in de containerruimte, maar dat het bezwaar vooral is gelegen in beide hulpmiddelen.

Al het voorgaande in onderling verband beschouwd is de kantonrechter van oordeel dat verzoekende partij onvoldoende heeft aangetoond dat de eigen parkeerplaats geen redelijk alternatief is.

Dit leidt er daarom toe dat niet is gebleken dat de VvE zonder redelijke grond het verzoek heeft geweigerd.

De gevraagde machtiging zal daarom worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de VVE, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de VVE en het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.