Van onze advocaat VVE. De Rechtbank Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het verhuren van een appartement via AirBnB.

De gemeente Amsterdam heeft terecht een boete van 13.500 euro opgelegd aan een Amsterdammer die zijn woning via AirBnB aan toeristen had verhuurd.

Het pand is onderverdeeld in twee appartementsrechten. Het appartementsrecht met huisnummer 1 bestaat uit de begane grond en de eerste etage. Het appartementsrecht met het huisnummer 2 bestaat uit de tweede, derde en vierde etage van het pand.

Eiser en zijn partner zijn eigenaar van beide appartementsrechten.

Verweerder heeft via Zoeklicht een melding ontvangen dat een woning in het pand voor langere tijd continu aan toeristen zou worden verhuurd. Op 12 mei 2016 hebben toezichthouders van verweerder en een inspecteur van de brandweer daarom het pand bezocht om de feitelijke woonsituatie te onderzoeken.

De resultaten van het onderzoek van de toezichthouders zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt rapport van bevindingen van 18 mei 2016 (het rapport).

Uit dit rapport blijkt onder andere dat eiser tijdens het huisbezoek heeft gezegd dat hij samen met zijn gezin woont op huisnummer 2. De toezichthouders hebben het hele pand bekeken. Over de eerste etage hebben de toezichthouders geconstateerd dat de vertrekken alleen via een afgesloten deur bereikt kunnen worden. In die vertrekken op de eerste etage zijn vier toeristen aangetroffen, die daar via Airbnb verbleven. Er waren op de eerste etage vier slaapplaatsen, verspreid over een woonkamer en slaapkamer. De toezichthouders hebben zowel op de begane grond als op de eerste etage geen persoonlijke spullen van eiser of zijn gezin aangetroffen.

In de Basisregistratie personen (BRP) stond eiser op de dag van het onderzoek ingeschreven op huisnummer 1. Op huisnummer 2 stonden onder meer zijn vrouw en zoons ingeschreven.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek concludeert verweerder in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, dat eiser de woning met het huisnummer 1 heeft onttrokken aan de bestemming tot bewoning, zonder dat hiervoor een onttrekkingsvergunning is verleend.

Eiser verhuurde namelijk de woning met huisnummer 1 aan toeristen, maar woonde er zelf feitelijk niet. Dat laatste blijkt uit het ontbreken van persoonlijke spullen in de woning en omdat hijzelf verklaarde dat hij met zijn gezin op huisnummer 2 woonde. Eiser heeft, aldus verweerder, hiermee gehandeld in strijd met de Huisvestingswet. Verweerder heeft eiser daarom een bestuurlijke boete opgelegd van € 13.500,-.

Appartementsrecht. Boete voor verhuur appartement aan toeristen. Huisvestingswet. Onttrokken aan de woningvoorraad?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van mening dat verweerder hem ten onrechte een boete heeft opgelegd. Hij heeft namelijk voldaan aan de voorwaarden in het beleid voor vakantieverhuur.

Allereerst stelt eiser dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf op de eerste etage had. Hij stond daar op het moment van de controle in de BRP ingeschreven. Daarbij heeft eiser bewijs geleverd dat wel degelijk persoonlijke spullen aanwezig waren op de eerste etage, maar dat deze waren opgeborgen. Eiser wijst hierbij op een video-opname die is gemaakt op de dag dat de sleutels van de eerste etage aan hem waren teruggegeven en hij de woning weer voor het eerst kon betreden. Op deze video is te zien dat in afgesloten kasten in de woning de persoonlijke spullen van eiser lagen opgeslagen. Dit heeft eiser overigens tijdens al de controle meerdere malen gezegd aan de toezichthouders.

In de tweede plaats stelt eiser dat hij zich aan de voorwaarden voor vakantieverhuur heeft gehouden. Hij heeft de woning niet meer dan 60 dagen per jaar heeft verhuurd, aan niet meer dan vier personen en zijn gasten hebben geen overlast veroorzaakt.

 Als iemand staat ingeschreven in de BRP op een bepaald adres, zoals eiser op huisnummer 1 , is er in beginsel een vermoeden dat die persoon daar ook zijn hoofdverblijf heeft. De feitelijke situatie kan echter zo zijn, dat moet worden geconcludeerd dat iemand zijn hoofdverblijf niet heeft op het adres waar hij of zij staat ingeschreven in de BRP. De rechtbank verwijst in dit kader naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 december 2017.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat eiser zijn hoofdverblijf ten tijde van het huisbezoek feitelijk niet had op huisnummer 1, maar op huisnummer 2.

Allereerst blijkt uit het op ambtseed opgemaakte rapport dat eiser tijdens het huisbezoek zelf heeft verklaard dat hij met zijn gezin op huisnummer 2 woont, dus in de woning van het andere appartementsrecht. Daarnaast blijkt uit het rapport dat een jongeman uit het raam op de derde verdieping hing toen de toezichthouders aanbelden bij de woning en dat deze jongen tegen de toezichthouders zei dat hij een van zijn ouders zou roepen. Eiser kwam vervolgens naar buiten. De rechtbank stelt vast dat deze derde verdieping hoort bij 2. Verder blijkt uit de foto’s in het rapport, gemaakt ten tijde van het huisbezoek, dat de woning op de derde en vierde etage levendig is ingericht met onder meer veel ingelijste foto’s aan de wand en op kastjes, in tegenstelling tot de vertrekken op de eerste etage.

Eiser voert aan dat zijn woorden niet juist in het rapport zijn weergegeven. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling moet er in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtseed opgemaakt rapport en de verklaringen daarin. Dit is alleen anders, als zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan moet worden afgeweken van dit uitgangspunt. Van zulke omstandigheden is niet gebleken in de zaak van eiser, des te minder omdat de rest van de onderzoeksbevindingen er ook niet op wijzen dat hetgeen eiser heeft gezegd niet juist zou zijn weergegeven.

Eiser voert aan dat er wel persoonlijk spullen in de vertrekken op de eerste etage waren, namelijk in een afgesloten kast. Eiser heeft tijdens de procedure een video ingebracht. Deze video is op de zitting ook vertoond. Hierop is te zien dat eiser een verzegelde deur opent. Hij geeft in de video aan dat dit de deur is van de eerste etage en dat hij deze weer voor het eerst betreedt na het huisbezoek. Vervolgens opent hij een afgesloten kastdeur met een sleutel. Op de video is te zien dat de kast vol is en eiser laat zien dat in die kast kleding, toiletspullen, administratie en keukenspullen zitten. Hij legt uit op de video dat hij de persoonlijke spullen opbergt in de kast, als hij de woning verhuurt. Eiser is van mening dat hij met de persoonlijke spullen in de kast, heeft aangetoond dat hij zijn hoofdverblijf wel op huisnummer 1 had.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Allereerst is dat tegenstrijdig met eisers eerdere verklaring tijdens het huisbezoek dat hij op huisnummer 2 woont met zijn gezin. Hoewel de rechtbank eiser volgt dat de spullen in de kast persoonlijke spullen zijn, blijkt uit de video niet dat het de spullen van eiser zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de persoonlijke spullen in de afgesloten kast wijzen op een opslagplek van spullen van eiser of zijn gezin, maar kan het er ook op wijzen dat iemand anders op de eerste verdieping woonde. Met de video heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat hij op huisnummer 1 woonde.

Niet in geschil is dat bij het huisbezoek op de eerste etage vier toeristen zijn aangetroffen die hadden geboekt via AirBnB.

Verder zijn er volgens het rapport vier slaapplekken in de vertrekken op de eerste etage aangetroffen.

Gelet op onder meer de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling 6 december 2017 was huisnummer 1 door de verhuur van de woning aan toeristen niet meer permanent beschikbaar voor bewoning. Omdat eiser op het moment van het huisbezoek geen onttrekkingsvergunning had, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet heeft overtreden.

Verweerder was gezien het voorgaande bevoegd om op grond van artikel 4.2.2., eerste lid, van de Huisvestingsverordening een bestuurlijke boete aan eiser op te leggen.

Deze boete is volgens de bij de Huisvestingsverordening behorende bijlage voor een eerste overtreding vastgesteld op € 13.500,-.

In deze zaak is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen.

Gelet op het voorgaande is het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het appartementsrecht, over de splitsingsakte of het huishoudelijk reglement, over geluidsoverlast of over het in gebruik geven of het verhuren van het appartement, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.