Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 9 mei 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een algeheel verbod in het huishoudelijk reglement op het houden van honden en katten in privégedeelten nietig was.

Het hof stelt voorop dat ingevolge art. 5:130 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) juncto art. 2:15 BW een appartementseigenaar aan de kantonrechter kan verzoeken het besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of wegens strijd met een reglement, niet zijnde het (model)reglement van splitsing dat deel van de akte van splitsing uitmaakt (vergelijk art. 5:129 lid 2 BW).

Een beroep op nietigheid van het besluit dient daarentegen bij dagvaarding bij de rechtbank te worden gedaan.

In deze zaak wordt zowel een beroep op de nietigheid als op de vernietigbaarheid van de bestreden besluiten gedaan, op basis van hetzelfde samenhangend feitencomplex.

Nu beide partijen hun stellingen ten aanzien van beide grondslagen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de kantonrechter op de verzoeken op beide grondslagen heeft beslist, zal ook het hof beslissen op het beroep op nietigheid.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat door geen van de belanghebbenden is gesteld dat zij aldus in hun verdediging worden bemoeilijkt.

Ook in de literatuur wordt aangenomen dat, gelet op de samenhang tussen beide verzoeken, een gecombineerd verzoek bij de kantonrechter mogelijk moet zijn (zie bijvoorbeeld Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels, 5* 2008, nr. 561; vgl. ook nr. 612 en inmiddels HR 26 oktober 2018, HR:2018:1985)

VVE. Is het algeheel verbod in het huishoudelijk reglement op het houden van honden en katten in privégedeelten nietig?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof is van oordeel dat een algeheel verbod op het houden van honden en katten door een appartementseigenaar (dan wel de door hem tot het gebruik van het appartement toegelaten huurder), als opgenomen in artikel 11 lid 7 Huishoudelijk Reglement (HR) geen regel van orde vormt maar een principiële beperking van de gebruiksmogelijkheid van het appartementsrecht.

Iedere permanente aanwezigheid van een hond of kat in het gezin van een gebruiker van het appartementsrecht wordt aldus immers in het reglement waarin een dergelijk verbod is opgenomen uitgesloten, ook indien geen enkele overlast of hinder wordt veroorzaakt, en /of ook indien sprake is van een blindengeleidehond of hulphond.

Dit laatste geldt ook voor bewoners die eventueel pas behoefte aan een dergelijke hond hebben of verkrijgen nadat zij in het appartementencomplex zijn komen wonen.

Aldus wordt de appartementseigenaar in algemene zin en onvoorwaardelijk beperkt in een deel van zijn of haar gebruik, ongeacht de wijze waarop hij of zij dit gebruik vorm wenst te geven. Aan de vastgestelde beperking (in algemene zin en onvoorwaardelijk) van het gebruik door artikel 11 lid 7 HR doet niet af dat het slechts om katten en honden zou gaan en niet om een verbod op alle huisdieren.

Regels omtrent gedrag van honden en katten, bijvoorbeeld het niet veroorzaken van overlast door bijvoorbeeld overdadig geluid en/of het bevuilen van gemeenschappelijke ruimten, zijn daarentegen wel regels van orde.

Deze kunnen immers ook ten aanzien van bewoners zelf worden geformuleerd, zoals een verbod op overlast door geluid, waaronder die door muziekinstrumenten, gedurende bepaalde delen van de dag.

Aan de vastgestelde beperking van het gebruik door artikel 11 lid 7 HR doet niet af dat in voorkomend geval op voorstel van het bestuur door de vergadering van eigenaren met gekwalificeerde meerderheid dispensatie kan worden gegeven, bijvoorbeeld inhoudende dat een reeds tot het gezin van de aspirant nieuwe gebruiker van een appartement horende hond of kat gedurende haar of zijn verdere levensduur wordt gedoogd in het appartementencomplex. Een dergelijke dispensatie mitigeert immers slechts tijdelijk en in beperkte mate het gedeeltelijk gebruiksverbod.

Hetzelfde geldt voor het klaarblijkelijk wel toestaan dat bezoekers honden of katten meebrengen: ook in dat geval betreft het tijdelijk en incidenteel toegestaan gebruik van het eigen appartement op het onderhavige punt.

Dit brengt het hof vervolgens tot het oordeel dat een verbod tot het houden van honden en katten (dan wel huisdieren in algemene zin) uitsluitend op de voet van artikel 5:112 lid 4 BW in het splitsingsreglement kan worden opgenomen en niet eerst in het huishoudelijk reglement.

Het reglement bedoeld in artikel 5:112 BW (en artikelen 5:111 sub d BW en 5:120 BW) is immers (slechts) het splitsingsreglement (vergelijk HR 10 februari 2012, HR:2012:BU8174).

Dit geldt evenzeer indien – zoals in deze aan de orde, gezien artikel 25 en 59 van het toepasselijke splitsingsreglement – het splitsingsreglement voorziet in een regeling van ‘gebruik’ door middel van een huishoudelijk reglement, nu dan immers de beperkingen gelden als door de Hoge Raad in 1995 reeds geformuleerd.

Het besluit het verbod ten aanzien van honden en katten in het huishoudelijk reglement op te nemen, als klaarblijkelijk al in 2008 genomen, is dan ook nietig op de voet van artikel 5:129 BW jo artikel 2:14 lid 1 BW.

Het splitsingsreglement rept immers niet van een verbod van honden en katten, dan wel in algemene zin een verbod van huisdieren, zodat er geen concretisering mogelijk is in het huishoudelijk reglement.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, over de uitleg van de splitsingsakte of over het huishoudelijk reglement, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.