De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 7 februari 2020 de vraag besproken of de VVE toestemming mocht weigeren voor rookgasafvoer via het gemeenschappelijke ventilatieschacht.

In de onderhavige zaak staat ter discussie of de rookgasafvoer van betrokkene via de ventilatieschacht mag worden gerealiseerd, indien de VvE daarvoor geen toestemming heeft verleend.

VVE. Toestemming geweigerd voor rookgasafvoer via gemeenschappelijke ventilatieschacht. Uitleg van het splitsingsreglement. Procesrecht. Samenhangende vorderingen.

De A-G concludeert als volgt.

Bij de beoordeling van het uitlegoordeel van het hof met betrekking tot art. 37 lid 8 van het splitsingsreglement is voorop te stellen dat daaruit hoe dan ook blijkt dat niet voor alle ‘besluiten tot verbouwing’ en ‘besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of het wegbreken van bestaande installaties’ geldt dat zij met een gekwalificeerde meerderheid moeten worden genomen. Van deze regel worden immers uitgezonderd besluiten die als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen.

Verder is te constateren dat de begrippen ‘verbouwing’ en ‘installaties’ niet zijn gedefinieerd in het splitsingsreglement.

Wel is uit de opsomming in art. 2, aanhef en onder b van het splitsingsreglement af te leiden dat bij ‘technische installaties’ wordt gedacht aan installaties met een gemeenschappelijk karakter en een substantiële omvang, waarvan de aanleg of wijziging ingrijpend is.

Ten slotte is op te merken dat in de systematiek van het MR 1973, waarop het in deze zaak toepasselijke splitsingsreglement is gebaseerd, besloten ligt dat de hoofdregel is dat besluiten met een gewone meerderheid kunnen worden genomen (art. 36 lid 1 MR 1973).

Het nemen van besluiten met een gekwalificeerde meerderheid is de uitzondering.

Mede gelet op de in art. 37 lid 5 MR 1973 neergelegde uitzondering dat voor besluiten tot het doen van uitgaven die een bepaald bedrag te boven gaan (waarop overigens een uitzondering geldt als voldaan is aan de in art. 37 lid 6 genoemde voorwaarden), is het aannemelijk dat (ook) voor art. 37 lid 8 MR 1973 geldt dat niet iedere verbouwing of ieder aanbrengen van nieuwe of wegbreken van bestaande installaties onder die bepaling is te brengen, maar dat ook daar een zekere drempel geldt. De ratio daarvan is dat het besluitvormingsproces in de VvE niet onnodig belast of gecompliceerd moet worden.

Tegen deze achtergrond is het kennelijke oordeel van het hof, dat een redelijke uitleg van art. 37 lid 8 van het splitsingsreglement meebrengt dat besluiten tot niet-ingrijpende verbouwingen (en besluiten tot het aanbrengen van nieuwe installaties of het wegbreken van bestaande installaties, met een niet-ingrijpend karakter) op één lijn moeten worden gesteld met besluiten die als een uitvloeisel van het normale beheer zijn te beschouwen, niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk. Die uitleg is bovendien in lijn met de hiervoor aangehaalde feitenrechtspraak over art. 37 lid 8 MR 1973.

Ten overvloede merk ik nog het volgende op.

Het oordeel van het hof dat verzoeker het bezwaar dat een (in het splitsingsreglement voorgeschreven) gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald – op zich beschouwd – in een dagvaardingsprocedure bij de rechtbank had moeten aankaarten, is juist.

Op grond van art. 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.

Op grond van art. 2:15 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar wegens strijd (a) met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; (b) met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist en (c) met een reglement. Indien een op grond van de wet of de statuten vereiste gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, is sprake van een gebrek dat nietigheid met zich brengt (en niet van een met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen strijdig vernietigbaar besluit).

Ingevolge art. 5:124 lid 2 BW zijn onder meer de artikelen 2:14 en 2:15 BW van toepassing op de wettelijke regeling van de vereniging van eigenaars, met inachtneming van de in titel 5.9 aangegeven afwijkingen.

In art. 5:129 lid 1 BW is bepaald dat voor de toepassing van art. 2:14 BW de akte van splitsing (waarvan krachtens art. 5:111, aanhef en onder d, BW het splitsingsreglement deel uitmaakt) wordt gelijkgesteld met de statuten.

Voor het laten vaststellen van de nietigheid van een besluit van de vergadering van eigenaars is – anders dan in art. 5:130 lid 1 BW met betrekking tot een verzoek tot vernietiging (zie hierna) – niet de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter voorgeschreven.

Een vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat een besluit van de vergadering van eigenaars nietig is omdat een in het splitsingsreglement voorgeschreven gekwalificeerde meerderheid niet is gehaald, moet daarom (op zichzelf) aan de rechtbank worden voorgelegd.

Wanneer het gaat om een verzoek tot vernietiging van een besluit van de vergadering van eigenaars, moet dat op grond van art. 5:130 lid 1 BW – in afwijking van art. 2:15 lid 3 BW – in een verzoekschriftprocedure aan de kantonrechter worden voorgelegd. Overigens geldt dan ook een korte termijn voor het aanhangig maken van de procedure en een afwijkende hoger beroepstermijn (lid 2 en 3).

In de literatuur en de feitenrechtspraak wordt doorgaans aangenomen dat wanneer iemand zich in een procedure tot vernietiging van een besluit van de vergadering van eigenaars tevens beroept op de nietigheid van dat besluit, beide aspecten in de verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter aan de orde kunnen worden gesteld.

De procedure niet hoeft te worden gesplitst om het beroep op nietigheid in een afzonderlijke procedure door de rechtbank te laten beoordelen.

Argumenten van proceseconomische aard verzetten zich tegen splitsing van de procedure. Er zouden dan immers twee procedures zijn over hetzelfde besluit.

Daarom is in zo’n geval de kantonrechter ook bevoegd om te beslissen over het samenhangende beroep op nietigheid.

Ook het hof is in de onderhavige uitspraak hiervan uitgegaan.

Deze benadering strookt ook met art. 94 lid 2 Rv en het uitgangspunt van de wetgever dat samenhangende vorderingen vanuit een oogpunt van doelmatigheid zoveel mogelijk door één en dezelfde rechter moeten worden behandeld en beslist, waarbij rekening moet worden gehouden met het specialisme van de kantonrechter op het gebied van de diverse aardvorderingen.

Hierover is nog het volgende op te merken.

In december 2018 is een informele consultatie gehouden over een door de Werkgroep Modernisering Appartementsrecht Nederland opgesteld concept wetsvoorstel tot wijziging van het BW en Rv ter verbetering van de regeling van appartementsrechten.

Dat concept wetsvoorstel voorziet onder meer in toevoeging van een derde lid aan art. 5:129 BW, waarin, voor zover thans van belang, is bepaald dat de nietigheid, bedoeld in art. 14 van Boek 2, op verzoek wordt uitgesproken door de rechter (zie artikel I onder N). Verder wordt in art. 93 een nieuwe categorie door de kantonrechter te behandelen en beslissen ‘aardvorderingen’ geïntroduceerd, namelijk zaken betreffende appartementsrechten die vermeld zijn in (o.m.) de artikelen 5:129 lid 3 en 5:130 lid 1 BW (zie artikel II).

In laatstgenoemde bepaling zou dan de afzonderlijke verwijzing naar de kantonrechter kunnen komen te vervallen (zie artikel I onder H).

In de toelichting op de voorgestelde wijzigingen wordt gesignaleerd dat kantonrechters die verzoeken tot nietigverklaring krijgen voorgelegd, daar op verschillende wijzen mee omgaan en dat met de wijziging wordt tegemoetgekomen aan een sinds jaar en dag bestaande roep uit de praktijk van VvE-juristen ‘alle VvE-zaken naar de sector kanton en nietigheid bij verzoekschrift’ om aan dit onderscheid een einde te maken. Wat de huidige stand van zaken van dit initiatief is, is niet bekend.

Om op dit punt duidelijkheid te geven aan de rechtspraktijk zou de Hoge Raad, ten overvloede, kunnen beslissen dat als aan de kantonrechter een verzoek tot vernietiging van een VvE-besluit wordt voorgelegd, deze tevens bevoegd is om te beslissen op een samenhangend verzoek dat strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht dat het besluit nietig is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de uitleg van de splitsingsakte, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.