De Rechtbank Den Haag heeft op 10 augustus 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een vergunning voor een zomerterras voor een appartement afgegeven had mogen worden.

Belanghebbenden zijn eigenaren van het pand waarin het restaurant is gevestigd.

Het terras bevindt zich op eigen grond van belanghebbenden.

Het terras bevindt zich niet op een binnenplaats, maar in de open ruimte naast en aan de voorzijde van het restaurant, direct grenzend aan de openbare weg.

Eisers stellen dat het terras het uiterlijk aanzien van de gemeente ernstig aantast en daarmee voldaan is aan de uitzondering van artikel 2:10, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV).

Eisers stellen dat er gewicht toekomt aan de geluidshinder, geuroverlast en privacy-hinder.

Ingevolge artikel 2:10, derde lid, van de APV wordt een terrasvergunning geweigerd als er overwegende bezwaren bestaan ten aanzien van schade die door het gebruik wordt toegebracht.

Appartementsrecht. Vergunning voor een zomerterras bij een restaurant. Is de vergunning in strijd met de APV verleend? Overlast of hinder?

De rechter oordeelt als volgt.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:534, waar verweerder ook naar verwijst, volgt dat bij de beslissing omtrent het verlenen van een terrasvergunning geen integrale afweging kan worden gemaakt van alle in het gebied betrokken ruimtelijk relevante belangen.

Bij de beoordeling van een aanvraag van een terrasvergunning wordt slechts getoetst aan de voorschriften in de APV.

Dit betekent dat de aanvraag slechts kan worden geweigerd indien deze niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 2:10, derde lid, van de APV.

Er is dan ook sprake van een beperkte toets.

Op grond van artikel 2:10, derde lid, van de APV wordt een vergunning geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

– doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg.

– bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand.

– schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht; of

– te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 tot en met 2:29, 2:33A en artikel 4:6 van toepassing is.

Artikel 2:10 van de APV behelst een vergunningplicht voor het plaatsen van voorwerpen op de weg.

De weigeringsgronden zien met name op de gevolgen die het plaatsen van de voorwerpen op de weg met zich brengt.

Ook bij het beoordelen van hinder als bedoeld in artikel 2:10, derde lid, van de APV gaat het om de inrichting van de openbare ruimte met het oog op de bruikbaarheid van de weg.

Gezien deze beperkte toets is de rechtbank van oordeel dat de hinder die eisers in beroep stellen, zoals geluidshinder en (geur)overlast, niet valt binnen het beoordelingskader waaraan de aanvraag wordt getoetst.

Deze hinder kan het gevolg zijn van de exploitatie van het terras en deze aspecten spelen een rol bij het al dan niet verlenen van een exploitatievergunning en de voorschriften die daaraan worden verbonden.

Eisers kunnen hierover voorts een verzoek tot handhaving van de openbare orde indienen als dit optreedt in een mate die de geldende normen overschrijdt.

Daargelaten dat de gestelde schade aan het dak van de parkeergarage niet is onderbouwd, is deze evenmin in verband te brengen met een weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, van de APV nu deze schade niet is aan te merken als schade aan een openbare weg of inrichting van de openbare ruimte.

Aangezien de genoemde hinder niet valt onder de weigeringsgrond van artikel 2:10, derde lid, van de APV en niet is gebleken dat de aanvraag op grond van de andere weigeringsgronden dient te worden afgewezen, was verweerder bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen.

Uit de Afdelingsuitspraak van 20 februari 2019 volgt tevens dat artikel 2:10 van de APV niet meebrengt dat een aanvraag voor een terrasvergunning getoetst dient te worden aan het bestemmingsplan.

Alleen bij de vaststelling van het bestemmingsplan dan wel een verzoek om handhaving op grond hiervan en bij de verlening van de exploitatievergunning dient te worden beoordeeld of de woon- en leefsituatie in de omgeving van de horeca-inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig zal worden beïnvloed.

Een verzoek om handhaving van het bestemmingsplan dan wel de verlening van een exploitatievergunning is bij de behandeling van dit beroep niet aan de orde.

Er wordt daarom door de rechtbank niet verder ingegaan op de aangevoerde gronden die hierop zien.

In het verlengde hiervan treft de verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank van 15 juni 2016 en de Afdelingsuitspraak van 19 april 2017 geen doel.

Uit deze uitspraken volgt dat bij het nemen van een besluit op een aanvraag ingevolge artikel 2:28 van de APV een afweging gemaakt moet worden of een terras op een bepaalde plaats toelaatbaar is, gelet op de kwaliteit van de woon- en leefsituatie aldaar.

Nu dit artikel echter ziet op een exploitatievergunning in de horeca en de toetsing van een exploitatievergunning niet aan de orde is, slaagt het beroep op deze uitspraken niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat VVE over het appartementsrecht, over de akte van splitsing of het splitsingsreglement over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE of over de uitleg van de splitsingsakte, belt u dan gerust onze advocaat VVE  op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het appartementsrecht, bezoek dan onze website over de VVE. Klik dan hier.