Van onze advocaat VVE. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 5 maart 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een besluit van de VVE geheel of slechts partieel nietig verklaard moest worden.

De grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het besluit van 3 december 2014 (geheel) nietig is.

In de toelichting op de grief betoogt de VvE, samengevat:

-dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich op de nietigheid van het besluit beroept, en dat het beroep op die nietigheid daarom op grond van artikel 2:8 lid 2 BW verworpen moet worden;

-dat, indien al sprake is van nietigheid van het besluit omdat bepaalde kostenposten niet passen in de statutaire taak van de VvE, de nietigheid slechts dat deel van het besluit betreft zodat het besluit voor het overige in stand blijft (art. 3:41 BW).

Geïntimeerde heeft in zijn reactie op de grief betwist dat hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op de nietigheid van het besluit van 3 december 2014 toekomt. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat van gedeeltelijke nietigheid van het besluit geen sprake kan zijn, zodat het besluit in zijn geheel nietig is.

Toetsing van nietigheid besluit VVE. Gehele of partiële nietigheid van het besluit van de VVE?

De rechter oordeelt als volgt.

In artikel 3:40 BW is een regeling opgenomen over de nietigheid van rechtshandelingen die door inhoud of strekking in strijd zijn met de goede zeden, de openbare orde of een dwingende wetsbepaling.

In artikel 3:41 BW is bepaald dat, indien de grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling betreft, de rechtshandeling voor het overige in stand blijft voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat.

Volgens artikel 3:59 BW vinden deze bepalingen buiten het vermogensrecht overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtshandeling of van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.

De vraag of van bedoeld onverbrekelijk verband sprake is, is een vraag van uitleg van de rechtshandeling.

Daarbij kunnen van belang zijn: de aard, inhoud en strekking van de rechtshandeling, de mate waarin de onderscheiden onderdelen met elkaar verband houden, en hetgeen partijen met de rechtshandeling hebben beoogd.

In het licht daarvan dient de rechter te beoordelen of, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokken partijen, voor gedeeltelijke instandhouding van de rechtshandeling al dan niet voldoende rechtvaardiging bestaat (HR 20 december 2013, HR:2013:2123, NJ 2014/347 (BP/Benschop).

Het hof ziet in dit geval onvoldoende aanknopingspunten om het besluit van de algemene vergadering van de VvE van 3 december 2014 tot vaststelling van de VvE-bijdragen over 2015 slechts partieel nietig te achten.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit hetgeen hiervoor bij de behandeling is overwogen volgt dat de in financieel opzicht substantiële post 42 (“managementvergoeding”) in elk geval ten dele ten onrechte in de VvE-bijdrage is opgenomen.

Ook heeft geïntimeerde er terecht op heeft gewezen dat de VvE-bijdrage standaard in één besluit wordt vastgesteld en niet in meerdere verschillende elkaar opvolgende besluiten en dat door middel van het vaststellingsbesluit het geheel aan kosten wordt vastgesteld.

De begroting vormt een samenhangend geheel en het is aan de algemene vergadering van de VvE om op voorstel van het bestuur de begroting vast te stellen.

Het hof acht het niet passend om in dit opzicht door het aannemen van enigerlei vorm van partiële nietigheid en partiële geldigheid van het besluit op de stoel van het bestuur en de algemene vergadering van de VvE te gaan zitten.

Alle kosten van de VvD zijn integraal voor rekening gebracht van alle leden van de VvE, en bij de stemming over het besluit is geen uitsplitsing gemaakt naar een VvE-deel en een VvD-deel.

Naar het oordeel van het hof is in dit geval sprake van vorenbedoeld onverbrekelijk verband. Het hof deelt daarom het oordeel van de kantonrechter dat het besluit geheel nietig is.

Het hof acht het voorts in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar in de zin van artikel 2:8 lid 2 BW dat geïntimeerde zich op de nietigheid van het besluit tot vaststelling van de VvE-bijdragen over 2015 beroept.

De in artikel 2:8 lid 1 bedoelde redelijkheid en billijkheid brengt ook niet mee dat geïntimeerde het besluit, dat in strijd is met het in de splitsingsakte opgenomen reglement, tegen zich moet laten gelden.

De nietigheid van het besluit hangt samen met het feit dat in VvE-bijdragen kostenposten zijn opgenomen die geïntimeerde nu eenmaal niet tegen zijn wil hoeft te accepteren.

Het betreft kosten die bij de hierboven omschreven stand van zaken alleen in rekening mogen worden gebracht aan de VvE-leden die van de daarmee samenhangende diensten gebruik maken en in verband daarmee de daaraan verbonden kosten accepteren, en geïntimeerde behoort daar niet toe. Het staat hem vrij zich daarop te beroepen.

Voor het geval het hof evenals de kantonrechter van oordeel zou zijn dat het besluit van 3 december 2014 nietig is, heeft de VvE een beroep gedaan op conversie van het nietige besluit in een besluit dat wel geldig is.

Daargelaten de vraag of de rechtsfiguur van conversie (artikel 3:42 BW) in dit geval toepassing kan vinden, zal het hof het beroep op conversie buiten beschouwing laten wegens strijd met de twee-conclusieregel nu de VvE dit beroep eerst tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft gedaan. Geïntimeerde heeft er bezwaar tegen gemaakt dat dit novum in de rechtsstrijd wordt betrokken.

Het hof komt op grond van het voorgaande evenals de kantonrechter tot de slotsom dat de vordering die de VvE in deze procedure tegen geïntimeerde heeft ingesteld, niet op het besluit van 3 december 2014 tot vaststelling van de VvE-bijdragen over 2015 en evenmin op het besluit van 2 december 2015 tot vaststelling van de VvE-bijdragen over 2016 gebaseerd kan worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het appartementsrecht, over de VVE, over de splitsingsakte of het splitsingsreglement of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een besluit van de VVE, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.