Van onze advocaat VvE. Op 19 april 2016 heeft Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan over artikel 5:112 lid 3 BW. Het hof nam geen verplicht lidmaatschap aan van een vereniging naast de Vereniging van Eigenaars (VvE).

Artikel 5:112 lid 3 BW bepaalt met betrekking tot de inhoud van het reglement dat in de splitsingsakte is opgenomen dat het reglement een regeling kan inhouden krachtens welke aan alle of bepaalde appartementsrechten mede verbonden is het lidmaatschap van een andere, nader in het reglement omschreven vereniging of coöperatie, voor zover dit lidmaatschap in overeenstemming is met de statuten van die vereniging of coöperatie.

Volgens de advocaat van de Vereniging volgt uit de wet noch uit de parlementaire geschiedenis dat in de splitsingsakte expliciet moet worden opgenomen dat bewoners, naast het kwalitatieve lidmaatschap van de VvE, ook verplicht lid zijn van een andere vereniging. Volgens de Vereniging komt het aan op de uitleg van de desbetreffende bepalingen van de splitsingsakte en de bedoeling die partijen daar destijds hebben gehad.

Het hof overweegt hierover het volgende. Anders dan de Vereniging voorstaat, acht het hof voor het aannemen van een kwalitatief en onopzegbaar lidmaatschap van de Vereniging naast dat van de VvE een expliciete vermelding daarvan in de splitsingsakte een vereiste. Een VvE kent een bijzondere regeling die afwijkt van de regeling van de ‘gewone’ vereniging in Titel 2 van Boek 2 van het BW. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de mogelijkheid om aan het appartementsrecht het lidmaatschap van een extra coöperatie of vereniging naast de VvE te verbinden is ingegeven door de behoefte aan een aparte coöperatie of vereniging ter behartiging van bepaalde belangen.

Deze nieuwe bepaling is opgenomen, omdat in de praktijk bij grote flatgebouwen of groepen van gebouwen behoefte is gebleken aan een vereniging die zich ten doel stelt de behartiging van een of meer bepaalde gemeenschappelijke belangen van bepaalde groepen appartementseigenaars; bijvoorbeeld wanneer een deel van het gebouw, de parterre, alleen winkels bevat en voor een ander deel uit woningen bestaat. Het kan wenselijk zijn dat de appartementseigenaars wier recht een woning omvat, nog een afzonderlijke vereniging vormen ter behartiging van belangen die zij, en niet de overige appartementseigenaars, gemeen hebben. Het kan bijvoorbeeld ook gaan om het onderhoud van een installatie waarbij alleen de bewoners van de etages, niet ook die van de parterrewoningen belang hebben, zoals een lift. Het lidmaatschap van die andere vereniging dient dan verbonden te worden aan de hoedanigheid van appartementseigenaar, in die zin dat de verkrijging van zo’n appartementsrecht de verkrijger automatisch, kwalitatief, lid van die vereniging doet worden.

Denkbaar is ook dat de andere vereniging, waarvan mede de appartementseigenaars van een naburige appartementsgemeenschap welker reglement een overeenkomstige bepaling bevat, lid zijn, zich ten doel stelt gemeenschappelijke belangen van de appartementseigenaars van beide gemeenschappen te behartigen en daartoe bij voorbeeld een tennisbaan in eigendom heeft.

Het praktische verschil met de vereniging van eigenaars die bij elke akte van splitsing moet worden opgericht, komt hierop neer dat van de vereniging van eigenaars noodzakelijk alle appartementseigenaars, aan wie de in één splitsing betrokken goederen toebehoren, lid zijn. Anderzijds kunnen geen andere personen lid van de vereniging van eigenaars zijn; ook niet bijvoorbeeld alle of bepaalde personen die appartementsrechten hebben in een andere, al dan niet gelijktijdig, door splitsing van een ander gebouw (of andere groep gebouwen) tot stand gebrachte gemeenschap. Wanneer nu in die andere gemeenschap een overeenkomstige behoefte bestaat en een gecombineerde behartiging van het belang waarom het daar en hier gaat, doeltreffender en minder kostbaar is, ligt het oprichten van een speciaal hiertoe bestemde andere vereniging voor de hand en kan het gewenst zijn dat het lidmaatschap daarvan aan de appartementsrechten in beide gemeenschappen wordt verbonden.

Uit deze omschrijving blijkt dat het bij de regeling als bedoeld in artikel 5:112 lid 3 BW gaat om de behartiging van specifieke belangen die een van de VvE onderscheiden coöperatie of vereniging wenselijk doet zijn. Voor een andere strekking van de bepaling zijn geen aanknopingspunten te vinden. Een dergelijke strekking veronderstelt dat de regeling die in het reglement van een splitsingsakte wordt opgenomen specifiek omschrijft welk belang de andere vereniging of coöperatie behartigt en expliciet vermeldt dat appartementseigenaren naast het lidmaatschap van de VvE ook verplicht lid zijn van die andere vereniging of coöperatie.

Daaraan voldoen de bepalingen in de splitsingsakte waar de Vereniging zich op beroept niet. Afgezien daarvan wordt het argument van de Vereniging dat het hier gaat om een kwalitatief en daardoor onopzegbaar lidmaatschap ondergraven door de omstandigheid dat de statuten van destijds de coöperatie en nu de Vereniging anders bepalen aangezien hierin wordt uitgegaan van de afzonderlijke opzegbaarheid van het lidmaatschap. Voor het overige zijn door de Vereniging geen feiten of omstandigheden aangedragen die tot een ander oordeel leiden.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over de VvE in het appartementsrecht of over de splitsingsakte in het appartementsrecht belt u dan onze advocaat VvE op 020-7400521 of stelt U hier een vraag aan onze advocaat VvE.