Van onze advocaat VvE. Op 22 april 2016 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een verzekeringsuitkering voor brandschade aan een gebouw dat in appartementsrechten is gesplitst. Valt de uitkering in de goederenrechtelijke gemeenschap van appartementseigenaren?

Het hof had het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe als volgt.

De advocaat van eiser betoogde dat, hoewel de Vereniging van Eigenaren (VvE) in de polis als verzekeringnemer is aangewezen, toch de appartementseigenaren als enigen en dus met uitsluiting van de VvE, een verzekerd belang hebben en gerechtigd zijn over de verzekeringsgelden te beschikken.

Daar leidt eiser uit af dat de verzekeringsgelden aan de gezamenlijke eigenaren toebehoren en een gemeenschap vormen in de zin van de eerste afdeling van titel 7 van boek 3 BW. Deze gemeenschap wordt, aldus de advocaat van eiser, door artikel 3:189 lid 1 BW niet aan de werking van deze titel onttrokken zoals de gemeenschap van het in appartementsrechten gesplitste gebouw zelf. Eiser ziet de door hem ingestelde vordering als een verdelingsvordering ex artikel 3:178 lid 1 BW j° artikel 3:185 BW, die dan ook terecht tegen verweerder als enige andere deelgenoot is ingesteld en niet tegen de VvE die in de gemeenschap niet gerechtigd is.

Het hof achtte deze opvatting onjuist. Het verzekeringsgeld vormt geen gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW omdat het geen “goed” in de zin van artikel 3:1 BW is. Hoewel het wel wordt aangeduid als “verzekeringspenningen”, gaat het niet om contant geld en in het geheel niet om een zaak (een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object) en ook niet om een vermogensrecht. Het gaat om een bedrag en een bedrag als zodanig is niet een vermogensrecht maar een manier om van iets de waarde in geld uit te drukken. Het bedrag van het verzekeringsgeld drukt de waarde uit van de uitkering die door de verwezenlijking van het verzekerde risico aan VvE als verzekeringnemer verschuldigd is geworden. De verzekeraar heeft die schuld voldaan door betaling op de bankrekening van de VvE en het verzekeringsgeld is daardoor deel gaan uitmaken van het vermogen van de VvE.

De advocaat van eiser voert aan dat deze opvatting zou leiden tot het ongewenste gevolg dat de VvE door middel van meerderheidsbesluiten over het verzekeringsgeld zou kunnen beschikken, bijvoorbeeld voor heel andere doeleinden dan tot herstel van de gevallen schade. Dat is niet juist omdat de VvE gebonden is aan de wet en daarmee aan artikel 5:136 BW dat wel voorziet in de mogelijkheid van herstel af te zien, maar dat ook voorziet in de bescherming van de afzonderlijke eigenaren in hun belang om (zowel in het geval van herstel als in dat van het afzien daarvan) individueel gecompenseerd te worden.

Het hof verwierp de grief. Dat betekende dat, als eiser zich niet kan vinden in de manier waarop de VvE de ontvangen verzekeringspenningen heeft aangewend, hij zich tot de VvE zal moeten wenden en dat eiser en de VvE (maar in feite zijn dat natuurlijk dezelfde personen als de partijen in het onderhavige geding) daar uit zullen moeten zien te komen.

Het middel klaagt naar de kern genomen dat het hof miskend heeft dat het verzekeringsgeld geen deel is gaan uitmaken van het vermogen van de VvE maar uit hoofde van zaaksvervanging (artikel 3:167 BW) in de plaats is getreden van de (deels) verloren gegane appartementsrechten. Voorts wordt betoogd dat het onverdeelde verzekeringsgeld een goederenrechtelijke gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW vormt tussen (in dit geval) twee deelgenoten. Dit brengt mee dat uitsluitend de twee deelgenoten bevoegd zijn te beschikken over de wijze van besteding van het verzekeringsgeld, terwijl de VvE ingevolge artikel 5:136 lid 1 BW slechts bevoegd is het verzekeringsgeld te beheren. De deelgenoten kunnen dan ook op de voet van de artikel 3:178 en 3:185 BW verdeling van de gemeenschap vorderen, waaraan het bepaalde in de artikel 5:136 en 5:138 BW niet afdoet, in ieder geval niet wanneer de VvE uit slechts twee appartementseigenaren bestaat, aldus nog steeds het middel.

Tussen verweerder en eiser als appartementseigenaren bestaat een goederenrechtelijke gemeenschap met betrekking tot het gebouw. Ten aanzien van die gemeenschap is, nu de splitsing in appartementsrechten niet is opgeheven, op grond van artikel 3:189 lid 1 BW de regeling van de zaaksvervanging in artikel 3:167 BW niet van toepassing. Op die grond is dus door zaaksvervanging geen gemeenschap tussen verweerder en eiser ontstaan met betrekking tot het verzekeringsgeld.

In de onderhavige zaak staat vast dat de verzekeringsuitkering is gestort op de bankrekening van de VvE. Daarmee zijn de verzekeringspenningen deel gaan uitmaken van het vermogen van de VvE, zodat een gemeenschap tussen de appartementseigenaren met betrekking tot die (tot het vermogen van de VvE behorende) verzekeringspenningen niet mogelijk is. Dat sluit op zichzelf niet uit dat de appartementseigenaren, nu het verzekerd belang bij hen rustte en zij de belanghebbenden bij de verzekeringspenningen zijn, tezamen jegens de VvE gerechtigd zijn tot de door de VvE beheerde verzekeringspenningen en dat op grond daarvan tussen hen een gemeenschap bestaat met betrekking tot hun desbetreffende vordering op de VvE.

Maar ook uitgaande van een gemeenschap als zojuist bedoeld, kan daarop niet een vordering tot verdeling gebaseerd worden, zoals eiser in deze procedure heeft gedaan. Nu het splitsingsreglement bepaalt dat (het bestuur van) de VvE verplicht is het gebouw te doen verzekeren en het hof niet heeft vastgesteld dat in dat reglement is afgeweken van hetgeen in artikel 5:136 BW is bepaald, brengt artikel 5:136 lid 1 BW mee dat de VvE ten behoeve van verweerder en eiser het beheer voert over de ontvangen verzekeringspenningen. Voorts bepaalt artikel 5:136 lid 4 BW dat uitkering van het aan ieder der appartementseigenaren toekomende aandeel slechts geschiedt in de drie aldaar genoemde gevallen. Vast staat dat geen van die gevallen hier aan de orde is.

Het is in het onderhavige geval derhalve aan de VvE te beslissen, met inachtneming van artikel 5:136 lid 2 BW, op welke wijze het herstel zal plaatsvinden en wanneer en aan wie de verzekeringspenningen daartoe worden (door)betaald. Geschillen daarover kunnen op de voet van artikel 5:138 BW op verzoek van de meest gerede partij aan de kantonrechter voorgelegd worden. Een dergelijk verzoek moet niet tegen een andere appartementseigenaar (deelgenoot) gericht worden, maar tegen de VvE, die immers verantwoordelijk is voor het beheer van de verzekeringspenningen. Anders dan het middel betoogt, geldt het voorgaande evenzeer wanneer de VvE slechts twee appartementseigenaren als leden telt. Ook dan kan immers een appartementseigenaar niet veroordeeld worden tot iets waartoe niet hij maar de VvE gehouden is.

Indien U vragen heeft aan onze advocaat over de VvE in het appartementsrecht of over de splitsingsakte in het appartementsrecht belt u dan onze advocaat VvE op 020-7400521 of stelt u hier een vraag aan onze advocaat VvE.