Van onze advocaat VVE. De Hoge Raad heeft op 21 juni 2019 uitspraak gedaan over een verzoek tot vernietiging van besluiten van de VvE, genomen op een vergadering waar appartementseigenaar niet aanwezig was. Termijn waarbinnen de appartementseigenaar heeft kunnen kennisnemen van de besluiten in de zin van art. 5:130 lid 2 BW.

Het middel klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 5:130 lid 2 BW meebrengt dat van een appartementseigenaar die niet aanwezig was ter vergadering, in het algemeen mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk na die vergadering uitzoekt welke besluiten zijn genomen, zodat de termijn voor het verzoek tot vernietiging van een besluit gaat lopen op de dag na de vergadering.

VVE. Appartementseigenaar verzoekt vernietiging van besluiten van VvE, genomen op een vergadering waar appartementseigenaar niet aanwezig was. Termijn waarbinnen de appartementseigenaar heeft kunnen kennisnemen van de besluiten in de zin van art. 5:130 lid 2 BW.

De Hoge Raad oordeelt als volgt.

Art. 5:130 BW luidt, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

“1. In afwijking van artikel 15 lid 3 van Boek 2 geschiedt de vernietiging van een besluit van een orgaan van de vereniging van eigenaars door een uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin het gebouw of het grootste gedeelte daarvan is gelegen, op verzoek van degene die de vernietiging krachtens dit lid kan vorderen.

2. Het verzoek tot vernietiging moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen.”

Uit de parlementaire toelichting op art. 638l lid 1 (oud) BW, dat een voorloper is van art. 5:130 lid 2 BW, blijkt dat voor het aanvangsmoment van de termijn van een maand is gedacht aan het tijdstip waarop de appartementseigenaar redelijkerwijs van het besluit heeft kunnen kennisnemen.

Dat het verzoek binnen een maand moet worden gedaan, houdt verband met het belang van de eigenaars om zo spoedig mogelijk te weten of het besluit geldig is of niet.

Het antwoord op de vraag of, en zo ja vanaf welk moment, een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was (ook niet door vertegenwoordiging) van een in die vergadering genomen besluit van de vereniging van eigenaars heeft kunnen kennisnemen, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Veel gewicht komt hierbij toe aan de gebruiken binnen de vereniging van eigenaars over de wijze waarop besluiten ter kennis van de leden worden gebracht.

Geldt binnen een vereniging van eigenaars het gebruik besluiten onder haar leden bekend te maken, bijvoorbeeld door verspreiding van een besluitenlijst of notulen van een vergadering, dan is uitgangspunt dat een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was, van een daar genomen besluit redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen vanaf het moment waarop die bekendmaking heeft plaatsgevonden, tenzij hij feiten en omstandigheden stelt en zo nodig bewijst waaruit volgt dat hij pas op een later moment redelijkerwijs van het besluit heeft kunnen kennisnemen.

Is van een gebruik als hiervoor bedoeld geen sprake, dan mag van een niet ter vergadering aanwezige appartementseigenaar die wist of behoorde te weten dat en wanneer een vergadering plaatsvond en welke besluiten op die vergadering genomen zouden kunnen worden, worden verwacht dat hij moeite doet om kort na de vergadering kennis te nemen van de genomen besluiten.

Van de appartementseigenaar mag in dat geval in beginsel worden verwacht dat hij binnen een week na de vergadering informatie inwint over die besluiten.

De termijn van een maand, genoemd in art. 5:130 lid 2 BW, begint dan te lopen uiterlijk op de dag na het einde van die week.

De appartementseigenaar draagt in dat geval de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij redelijkerwijs niet binnen een week na de vergadering van het desbetreffende besluit heeft kunnen kennisnemen.

Het voorgaande laat de mogelijkheid onverlet dat een appartementseigenaar die niet ter vergadering aanwezig was, al daadwerkelijk heeft kennisgenomen van de genomen besluiten vóór het moment waarop hij overeenkomstig het hiervoor overwogene geacht moet worden redelijkerwijs van die besluiten te hebben kunnen kennisnemen.

In dat geval begint de termijn van art. 5:130 lid 2 BW te lopen vanaf dit eerdere moment.

Op de vereniging rust de stelplicht en bewijslast van het feit dat dit geval zich voordoet.

Uit hetgeen hiervoor is vermeld, volgt dat notulen van de vergadering van de VvE van 23 november 2015 zijn opgesteld en dat die notulen op 10 december 2015 op de website van VvE Diensten Nederland zijn geplaatst en op die dag tevens per e-mail zijn toegezonden.

Dit kan erop duiden dat binnen de VvE het gebruik bestond na de vergadering notulen op te stellen en te verspreiden.

Als dat inderdaad het geval is, mocht verzoekster in beginsel de verspreiding van die notulen afwachten en behoefde zij geen moeite te doen eerder van de genomen besluiten op de hoogte te geraken.

Uit het voorgaande volgt dat het middel terecht is voorgesteld.

Na verwijzing zal moeten worden vastgesteld of binnen de VvE het gebruik bestond na de vergadering notulen op te maken en te verspreiden.

Als dat het geval is, heeft verzoekster pas op 10 december 2015 kennis kunnen nemen van de genomen besluiten.

De termijn van een maand van art. 5:130 lid 2 BW is in dat geval gaan lopen op 11 december 2015 en geëindigd op 10 januari 2016. Het verzoekschrift van verzoekster van 9 januari 2016 is dan tijdig ingediend.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het appartementsrecht, over de VVE, over de splitsingsakte of het splitsingsreglement, over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, of over de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.