Van onze advocaat VVE. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 mei 2019 uitspraak gedaan over de verschuldigdheid van de onderhoudskosten.

De vve heeft bij memorie van antwoord tevens akte houdende vermeerdering van eis haar vordering verhoogd met een bedrag van € 282,00, zijnde de achterstallige (voorschot)bijdragen over de maanden mei en juni 2017. In zoverre heeft de vve incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

Appellant heeft bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep niet betwist dat de door de vve gevorderde (voorschot)bijdrage over mei en juni 2017 € 141,00 per maand bedroeg. Wel heeft zij aangevoerd dat zij de bedragen voor mei en juni al heeft betaald en dat de vve haar niet tot betaling van die bedragen heeft aangemaand.

Bij akte van 9 oktober 2018 heeft de vve erkend dat zij (op respectievelijk 25 juli 2017 en 31 augustus 2017) betalingen over de maanden mei en juni 2017 van appellant heeft ontvangen. De vve heeft echter betwist dat appellant de gehele vordering heeft voldaan. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat appellant tweemaal een bedrag van € 140,63 heeft voldaan, terwijl de (voorschot)bijdrage € 141,00 bedroeg. Appellant heeft volgens de vve dus een bedrag van € 0,74 te weinig voldaan.

VVE. Betaling van de onderhoudskosten. Aanmaning. Verzuim? Rentevergoeding

Het hof oordeelt als volgt.

Nu appellant de hoogte van de vordering van de vve niet heeft betwist, staat vast dat de (voorschot)bijdrage over de maanden mei en juni 2017 € 141,00 per maand bedroeg.

Het verweer van appellant dat zij de vordering reeds heeft voldaan, is een bevrijdend verweer, waarvan zij volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) de bewijslast draagt.

De vve heeft gemotiveerd betwist dat appellant de gehele vordering heeft voldaan.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting van de vve staat de daaraan voorafgaande blote mededeling van appellant dat zij het gevorderde heeft voldaan.

Het had op haar weg gelegen om haar stelling nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door te vermelden welke bedragen zij aan de vve heeft betaald en op welk moment zij tot betaling is overgegaan.

Nu zij dit heeft nagelaten, heeft appellant onvoldoende gesteld om haar tot bewijs toe te laten en neemt het hof tot uitgangspunt dat appellant een bedrag van € 0,74 te weinig heeft voldaan.

Appellant heeft nog aangevoerd dat de vordering van de vve dient te worden afgewezen, omdat zij door de vve niet tot betaling is aangemaand.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat appellant meent dat zij, doordat zij niet is aangemaand, niet in verzuim is komen te verkeren ten gevolge waarvan de vordering van de vve niet kan worden toegewezen.

Dit standpunt is onjuist voor zover het ziet op de verschuldigdheid van de (voorschot)bijdragen.

Immers, voor de vordering tot nakoming is niet vereist dat appellant in verzuim is komen te verkeren.

Er dient alleen sprake te zijn van opeisbaarheid.

Nu de opeisbaarheid van de vordering niet door appellant is betwist, zal het hof de gevorderde (voorschot)bijdragen over mei en juni 2017, voor zover deze niet al reeds zijn voldaan, toewijzen.

Het intreden van verzuim is echter wel van belang voor de vraag of de door de vve gevorderde wettelijke rente over het gevorderde kan worden toegewezen.

De vve heeft verwezen naar artikel 6 lid 1 van het door haar in eerste aanleg overgelegde Modelreglement.

Uit dit artikel blijkt dat appellant, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, in verzuim raakt, indien zij de door haar verschuldigde (voorschot)bijdragen niet binnen een maand nadat het bedrag opeisbaar is geworden aan de vve heeft voldaan.

De vve heeft blijkens het petitum van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep de wettelijke rente gevorderd vanaf 30 maart 2016, althans vanaf datum dagtekening van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep (20 juni 2017).

Vaststaat dat appellant op 30 maart 2016 nog niet in verzuim verkeerde ten aanzien van de betalingen die betrekking hebben op mei 2017 en juni 2017.

Het hof stelt vast dat ten aanzien van de (voorschot)betaling over mei 2017, gelet op het in artikel 6 lid 1 van het Modelreglement bepaalde, het verzuim reeds was ingetreden ten tijde van het nemen van de memorie van antwoord in principaal hoger beroep op 20 juni 2017.

Het verzuim was op dat moment echter nog niet ingetreden ten aanzien van de (voorschot)betaling over juni 2017.

Derhalve kan de gevorderde wettelijke rente alleen ten aanzien van de maand mei 2017 worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het appartementsrecht, over de VVE, over de splitsingsakte of een modelreglement, over de nietigheid of vernietigbaarheid van besluiten van de VVE, of over de verschuldigdheid van onderhoudskosten, belt u dan gerust onze advocaat VVE op 020-3980150.